Naar hoofdinhoud

Artikel 4

Algemeen

Onderdeel van Beleidsregel beschikbaarheidbijdrage op aanvraag· Gezondheidsrecht en farmaceutisch recht

Deze tekst geldt sinds 1 januari 2026

Bij het Besluit heeft de Minister de in artikel 1 genoemde vormen van zorg aangewezen waarvoor de NZa een beschikbaarheidbijdrage kan vaststellen. Mede op basis van dit Besluit heeft de NZa onderhavig beleid ten aanzien van de verstrekking van de beschikbaarheidbijdrage op aanvraag door zorgaanbieders vastgesteld. Het Uniform kader omschrijft de procedure die gehanteerd wordt ten aanzien van de verlening en de vaststelling van de beschikbaarheidbijdrage door de NZa. In enkele gevallen is een uitzondering op de uniforme procedure nodig. Deze uitzondering staat in dat geval omschreven in de onderhavige beleidsregel en bij de betreffende zorgfunctie. Er is één algemene uitzondering op het Uniform Kader welke is beschreven in art. 4.3. De zorgaanbieder dient vóór 1 oktober voorafgaand aan het jaar t een aanvraag voor verlening van een beschikbaarheidbijdrage in bij de NZa. Voor aanvragen die tijdig zijn ingediend, geldt een bevoorschotting van 100% van de beschikking. Aanvragen die op of na 1 oktober van jaar t–1 worden ingediend, neemt de NZa tot en met 31 december van jaar t–1 in behandeling. De NZa kent bij deze aanvragen een aangepast voorschot toe van 85% aan de zorgaanbieder. Slechts in geval van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 4:84 Awb kan de NZa hiervan afwijken. Aanvragen die na 31 december van jaar t–1 worden ingediend, neemt de NZa niet in behandeling. Indien een aanvraag voldoet aan de voorwaarden genoemd in artikel 4, tweede lid en aan de zorgfunctie-specifieke bepalingen zoals opgenomen in deze beleidsregel, zal de NZa op grond van artikel 56a, zevende lid, van de Wmg de zorgaanbieder belasten met een dienst van algemeen economisch belang of dienst van algemeen belang.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel