De NZa verstrekt de beschikbaarheidbijdrage aan opleidende zorgaanbieders ter vergoeding van de kosten die de zorgaanbieder daadwerkelijk maakt voor het verzorgen van (medische) vervolgopleidingen, als bedoeld in artikel 2 van het Besluit beschikbaarheidbijdrage WMG, juncto onderdeel B, onder 1, sub a, b en c van de bijlage.
De NZa verstrekt uitsluitend beschikbaarheidbijdragen aan opleidende zorgaanbieders die erkend zijn door een registratiecommissie als genoemd in artikel 1.19, de instituten die erkenningen afgeven als genoemd in artikel 1.20 en 1.21 of het CZO als genoemd in artikel 1.27, om een (medische) vervolgopleiding te verzorgen en aan de werkgevers voor specifieke opleidingen zoals bedoeld in artikel 1.22.
Voor de opleidingen genoemd in artikel 1.2 sub e geldt dat gedurende de gehele periode waarover de beschikbaarheidbijdrage wordt aangevraagd sprake moet zijn van een samenwerkingsovereenkomst tussen de praktijkopleidingsinstelling die de beschikbaarheidbijdrage aanvraagt en een door de Minister aangewezen opleidingsinstelling.
De berekening van de realisatie per (medisch) specialist in opleiding (in fte) vindt plaats volgens de volgende formule:
Aantal uren opleiding volgens de personeels- of salarisadministratie van de zorgaanbieder' gedeeld door ‘uren reguliere werkweek overeenkomstig de van toepassing zijnde collectieve arbeidsovereenkomst of sectorale rechtspositieregeling.
De collectieve arbeidsovereenkomst of sectorale rechtspositieregeling wordt gehanteerd van de opleidende zorgaanbieder waar de (medisch) specialist in opleiding zijn formeel dienstverband heeft. Het aantal uren dat voor één persoon wordt ingevoerd in de aanvraag mag nooit leiden tot een realisatie hoger dan 1 fte.
Boventallige (medisch) specialisten in opleiding, zoals beschreven in artikel 1.18, komen niet in aanmerking voor een beschikbaarheidbijdrage en mogen niet in de berekening van de realisatie worden meegenomen.
In de toelichting van deze beleidsregel worden een aantal rekenvoorbeelden gegeven van hoe het aantal gerealiseerde fte moet worden berekend.
Voor een aantal opleidingen in de ggz bestaat een maximum aantal uren dat een opleideling in opleiding mag zijn per week. Het aantal gerealiseerde fte per opleideling mag niet boven dit maximum uitkomen. Een opleideling mag voor meer uren dan het maximum in dienst zijn bij de opleidende zorgaanbieder, maar deze zorgaanbieder mag voor de uren boven het maximum geen beschikbaarheidbijdrage ontvangen.
Voor de opleiding tot gezondheidszorgpsycholoog geldt een maximum van 36 opleidingsuren per week (1 fte).
Voor de opleiding tot klinisch psycholoog geldt een maximum van 27 opleidingsuren per werkweek (0,75 fte).
Voor de opleiding tot klinisch neuropsycholoog geldt een maximum van 27 opleidingsuren per werkweek (0,75 fte).
Voor de opleiding tot psychotherapeut geldt een maximum van 18 opleidingsuren per werkweek (0,50 fte).
Voor de opleiding tot verpleegkundig specialist in de ggz geldt een maximum van 36 opleidingsuren per werkweek (1 fte).
De NZa accepteert geen mutaties in het instroomjaar, met uitzondering van de opleiding klinische fysica en de situatie beschreven in artikel 1.16 sub b. De NZa houdt in alle gevallen, met uitzondering van de situaties genoemd in artikel 10.1 (sub a en sub b), het verdeeloverzicht aan voor de berekening van de beschikbaarheidbijdrage over het instroomjaar.
De NZa beoordeelt de ontvangen aanvragen aan de criteria gesteld in deze beleidsregel en het ‘Uniform kader beschikbaarheidbijdrage NZa’.
In aanvulling op het ‘Uniform kader beschikbaarheidbijdrage NZa’ gelden de volgende voorwaarden, voorschriften en beperkingen ten aanzien van de beschikbaarheidbijdrage (medische) vervolgopleidingen:
De opleidende zorgaanbieder is verantwoordelijk voor het juist en tijdig laten registreren van de opleidingsgegevens van de (medisch) specialist in opleiding bij desbetreffende registratiecommissie, zoals genoemd in artikel 1.19 of het CZO als genoemd in artikel 1.27.
(Medische) vervolgopleidingen: Het is van belang dat de opleidende zorgaanbieder uiterlijk 31 december van het subsidiejaar (jaar t) een opleideling koppelt aan een toegekende instroomplaats in het opleidingsregister van de desbetreffende registratiecommissie. Als een opleideling uiterlijk 31 december van het subsidiejaar niet is gekoppeld aan een instroomplaats, dan ontvangt de zorgaanbieder voor dat subsidiejaar geen beschikbaarheidbijdrage voor deze instromer.
De zorgaanbieder kan voor deze opleideling wel een doorstroomsubsidie voor jaar t+1 aanvragen als de opleideling door de registratiecommissie in jaar t+1 als doorstromer wordt aangemerkt.
De situatie kan zich voordoen dat een zorgaanbieder een afwijzing ontvangt op zijn aanvraag tot verlening voor jaar t+1, omdat de zorgaanbieder alleen één doorstromer in opleiding heeft die niet tijdig als instromer is gekoppeld in jaar t. In afwijking van artikel 5.1.3 van het ‘Uniform kader beschikbaarheidbijdrage NZa’ kan de NZa in deze situatie de beschikbaarheidbijdrage voor jaar t+1 vaststellen zonder dat er voorafgaand een verleningsbeschikking is afgegeven.
Ziekenhuisopleidingen:
Het is van belang dat de opleidende zorgaanbieder de opleideling registreert in het Opleidingsregister van het CZO.
De zorgaanbieder is verantwoordelijk voor het correct registreren van EPA’s en EOL in het Opleidingsregister van het CZO een certificaat is behaald in het jaar t. Deze registratie moet uiterlijk 31 december van het jaar t plaatsvinden.
Voor de ziekenhuisopleidingen in artikel 1.3 a en b voor opleidelingen die hun opleiding vóór 2025 zijn gestart en waar beschikbaarheidbijdrage per gediplomeerde kan worden aangevraagd, is de zorgaanbieder er verantwoordelijk voor dat uiterlijk 31 december van het jaar van diplomering het diploma is aangevraagd bij het CZO.
Substitutie van toegewezen fte’s tussen soorten opleidingen en substitutie van fte’s tussen de categorieën instroom en doorstroom is niet mogelijk.
Overstappen van opleiding is toegestaan in de volgende situaties:
opleidelingen, die een opleiding met een vooropleiding volgen, mogen tijdens de vooropleiding of direct aansluitend op de vooropleiding overstappen naar een ander specialisme met dezelfde vooropleiding;
opleidelingen die opleiding interne geneeskunde volgen, mogen overstappen naar een ander specialisme met interne geneeskunde als vooropleiding;
opleidelingen die een in artikel 1.14a genoemde opleiding volgen, mogen overstappen naar de opleiding interne geneeskunde;
opleidelingen die opleiding heelkunde volgen, mogen overstappen naar een ander specialisme met heelkunde als vooropleiding;
opleidelingen die een in artikel 1.14b genoemde opleiding volgen, mogen overstappen naar de opleiding heelkunde.
Voor alle in dit artikellid beschreven situaties geldt dat:
uiterlijk 31 december van het jaar voorafgaand aan het subsidiejaar het opleidingsschema volledig goedgekeurd moet zijn door desbetreffende registratiecommissie en dit is opgenomen in het opleidingsregister van desbetreffende registratiecommissie; en
dat de totale opleidingsduur de nominale opleidingsduur niet mag overschrijden.
Er wordt geen beschikbaarheidbijdrage verstrekt voor (medisch) specialisten in opleiding die zijn ingestroomd voor eigen rekening, voor rekening van de opleidende zorgaanbieder of voor rekening van derden. Er wordt ook geen beschikbaarheidbijdrage verstrekt voor deze (medisch) specialisten in opleiding in latere jaren. Uitzondering op dit laatste vormt de (medisch) specialist in opleiding die later instroomt op een instroomplaats die in het verdeeloverzicht is toegewezen aan de opleidende zorgaanbieder.
Indien op grond van een andere subsidieregeling subsidie wordt aangevraagd en toegekend voor dezelfde activiteiten als waarvoor de beschikbaarheidbijdrage dient, kan (een deel van) die verkregen subsidie in mindering worden gebracht op de beschikbaarheidbijdrage.
De beschikbaarheidbijdrage wordt, met inachtneming van het aantal subsidiabele opleidingsplaatsen per opleiding, alleen verstrekt aan de opleidende zorgaanbieder bij wie de (medisch) specialist in opleiding volgens de desbetreffende registratiecommissie geregistreerd staat.
Indien sprake is van het door een opleidende zorgaanbieder detacheren van een opleideling naar een andere opleidende zorgaanbieder dient tussen deze zorgaanbieders een schriftelijke overeenkomst te bestaan waarin in ieder geval het aantal fte’s dat de opleideling bij iedere zorgaanbieder wordt opgeleid is vastgelegd;
Niet-gerealiseerde instroom, als vastgelegd in het verdeeloverzicht, van beroepsbeoefenaren in opleiding kan niet worden doorgeschoven naar een volgend kalenderjaar.
Vanwege opleidingsinhoudelijke redenen kan de duur van de opleiding van een (medisch) specialist in opleiding worden verlengd. Hier dient een besluit van de registratiecommissie of (opleidings)instituut als genoemd in de artikelen 1.19 tot en met 1.21 aan ten grondslag te liggen waaruit blijkt dat de duur van de opleiding wordt verlengd. Voor de opleidingen genoemd in artikel 1.2 sub e geldt dat de opleidingsinstelling als bedoeld in artikel 1.6 het besluit neemt over de verlenging van de duur van de opleiding. De CRT van de FGzPt verwerkt de verlenging in het opleidingsregister.
Bij de bepaling van het gerealiseerde aantal opleidingsplaatsen dient rekening te worden gehouden met het startmoment en de einddatum van de opleiding en met deeltijdarbeid zoals vermeld in de (leer)-arbeidsovereenkomst.
De opleidende zorgaanbieder doet direct schriftelijk mededeling aan de NZa wanneer een samenwerkingsovereenkomst wordt ontbonden, vernietigd of nietig is voor wat betreft de beroepen als genoemd in artikel 1.2 sub e, een opleidingserkenning wordt ingetrokken of van andere omstandigheden die van belang kunnen zijn voor (een beslissing tot intrekking van) de beschikbaarheidbijdrage, zoals een fusie (als bedoeld in artikel 2:309 van het Burgerlijk Wetboek), splitsing (als bedoeld in artikel 2:334a van het Burgerlijk Wetboek) of een faillissement. Daarbij worden relevante stukken overlegd.
Als de rechtbank het faillissement van een zorgaanbieder heeft uitgesproken en een curator heeft aangesteld, dient de curator de aanvraag tot vaststelling namens de failliete zorgaanbieder in. Dit doet de curator voor de subsidiejaren waarvoor de failliete zorgaanbieder nog geen vaststelling heeft ingediend, maar wel een verleningsbeschikking heeft ontvangen. De curator handelt daarbij volgens de voorschriften en voorwaarden uit deze beleidsregel en het ‘Uniform kader beschikbaarheidbijdrage NZa’.
Als een failliete zorgaanbieder een aanvraag indient voor de verlening van de beschikbaarheidbijdrage, neemt de NZa deze aanvraag niet in behandeling. Als het faillissement vóór 1 januari van jaar t wordt uitgesproken en de verleningsbeschikking voor jaar t reeds door de NZa is afgegeven, kan de NZa de verleningsbeschikking intrekken en de uitgekeerde voorschotten terugvorderen. Er is dan immers vanwege het faillissement niet opgeleid in jaar t.
Als een fusie als bedoeld in artikel 2:309 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: juridische fusie) tussen opleidende zorgaanbieders voor of op 1 januari van jaar t plaatsvindt, gaat de NZa in jaar t uit van de gefuseerde zorgaanbieder. Met de gefuseerde zorgaanbieder wordt bedoeld de opleidende zorgaanbieder (die een rechtspersoon is) die na een juridische fusie het vermogen van de andere opleidende zorgaanbieder(s) (die een rechtspersoon is of die rechtspersonen zijn) onder algemene titel verkrijgt of die als nieuwe opleidende zorgaanbieder (die een rechtspersoon is) die bij deze fusie door de opleidende zorgaanbieders samen wordt opgericht, hun vermogen onder algemene titel verkrijgt.
De gefuseerde zorgaanbieder dient voor zowel de verlening als de vaststelling van jaar t één aanvraag in op het NZa-nummer van de gefuseerde zorgaanbieder. De NZa geeft op basis van deze aanvraag voor zowel de verlening als de vaststelling één beschikking af op het NZa-nummer van de gefuseerde zorgaanbieder.
Als een juridische fusie tussen opleidende zorgaanbieders plaatsvindt na 1 januari van jaar t, gaat de NZa voor de verlening en vaststelling van jaar t uit van de afzonderlijke opleidende zorgaanbieders. Beide opleidende zorgaanbieders dienen voor zowel de verlening als vaststelling van jaar t een afzonderlijke aanvraag in op hun eigen NZa-nummer. De NZa geeft op basis van deze aanvragen voor zowel de verlening als de vaststelling een beschikking per opleidende zorgaanbieder af op hun eigen NZa-nummer.
Vanaf het jaar dat volgt op de juridische fusie gaat de NZa bij de verlening en de vaststelling uit van de gefuseerde zorgaanbieder. Dit betekent dat de gefuseerde zorgaanbieder voor zowel de verlening als de vaststelling vanaf het jaar volgend op de fusie één aanvraag moet indienen op het NZa-nummer van de gefuseerde zorgaanbieder. Slechts in geval van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 4:84 Awb, kan de NZa hiervan afwijken.
De vergoedingsbedragen, zoals vastgesteld in de aanwijzing of door de NZa, zijn gedurende de gehele opleiding gekoppeld aan het specialisme waar de betreffende (medisch) specialist is ingestroomd.
Een (medisch) specialist of medisch beroepsbeoefenaar in dienst van het Ministerie van Defensie kan niet instromen op een instroomplaats. (Medisch) specialisten of medisch beroepsbeoefenaren in dienst van het Ministerie van Defensie die hun opleiding zijn gestart vóór het jaar 2022 en waarvoor reeds een beschikbaarheidbijdrage is toegekend, blijven in aanmerking komen voor een beschikbaarheidbijdrage.
De vastgestelde beschikbaarheidbijdrage wordt verrekend met de bevoorschotting. Wanneer de definitieve beschikbaarheidbijdrage hoger uitvalt dan de bevoorschotting, bepaalt de NZa in de vaststellingsbeschikking dat het openstaande bedrag door Zorginstituut Nederland wordt voldaan aan de opleidende zorgaanbieder. Wanneer de definitieve beschikbaarheidbijdrage lager uitvalt dan de bevoorschotting, bepaalt de NZa in de vaststellingsbeschikking dat de opleidende zorgaanbieder het terug te betalen bedrag dient te voldoen aan Zorginstituut Nederland.
Artikel 4
Algemeen
Onderdeel van Beleidsregel beschikbaarheidbijdrage (medische) vervolgopleidingen 2026· Gezondheidsrecht en farmaceutisch recht
Deze tekst geldt sinds 1 januari 2026