Naar hoofdinhoud

Paragraaf 20

Artikel 20.2

Weging toezichtervaring ten behoeve van vergunningverlening

Onderdeel van Beleidsregels vergunningverlening kansspelen op afstand 2026· Bank- en effectenrecht, financiering

Deze tekst geldt sinds 1 januari 2026

1. Bij de beoordeling van de aanvraag van een vergunninghouder weegt de raad van bestuur in ieder geval de informatie die door het toezicht op de naleving als bedoeld in titel Vla van de wet ten aanzien van de vergunninghouder door de raad van bestuur is verkregen en bij de raad van bestuur berust (hierna: toezichtervaring). 2. De raad van bestuur weegt de toezichtervaring ten behoeve van de op grond van artikel 31a, derde lid, van de wet te verrichten afweging. De weging van de toezichtervaring is er in het bijzonder op gericht om vast te stellen of de raad van bestuur aanleiding ziet tot: het weigeren van de vergunning; het verlenen van de vergunning onder een of meer beperkingen; het aan de vergunning verbinden van een of meer bijzondere voorschriften; het na vergunningverlening uitoefenen van gerichter toezicht. 3. Tot de toezichtinformatie die de raad van bestuur relevant kan achten voor de beoordeling van de aanvraag van een vergunninghouder, behoort ook: de informatie die ten aanzien van de vergunninghouder bij de raad van bestuur berust en die anders dan uit de aanvraag of door het houden van toezicht is verkregen; de houding van beleidsbepalers, leidinggevenden, personen op sleutelposities en de bestuurs- en organisatiecultuur van de vergunninghouder.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel