Naar hoofdinhoud

Artikel 3

Nadere omschrijving wettelijke begrippen

Onderdeel van Besluit juridische afsplitsing 2025· Belastingrecht

Deze tekst geldt sinds 25 september 2025

In deze paragraaf wordt het beleidsmatige kader geschetst van enkele in artikel 14a, Wet Vpb 1969 gehanteerde begrippen. Artikel 14a Wet Vpb 1969 geldt zowel voor afsplitsing naar Nederlands recht als voor afsplitsing naar buitenlands recht. Wel is de afsplitsing naar Nederlands recht leidend in die zin, dat de inhoud die naar Nederlands recht toekomt aan het begrip overgang onder algemene titel en het begrip afsplitsing beslissend is voor de vraag of een buitenlandse rechtshandeling kwalificeert als overgang onder algemene titel in het kader van afsplitsing in de zin van artikel 14a Wet Vpb 1969. De afsplitsing naar Nederlands recht is “de rechtshandeling waarbij het vermogen of een deel daarvan van een rechtspersoon die bij de splitsing niet ophoudt te bestaan onder algemene titel overeenkomstig de aan de akte van splitsing gehechte beschrijving wordt verkregen door een of meer andere rechtspersonen waarvan ten minste één overeenkomstig het bepaalde in deze of de volgende afdeling lidmaatschapsrechten of aandelen in zijn kapitaal toekent aan de leden of aan aandeelhouders van de splitsende rechtspersoon of waarvan ten minste één bij de splitsing door de splitsende rechtspersoon wordt opgericht” (artikel 334a, derde lid, van Boek 2 van het BW). Om in aanmerking te komen voor de fiscale faciliteit is niet vereist dat met of bij de afsplitsing positieve winst wordt behaald. Ook in de situatie dat de winst nihil of negatief is, kan om toepassing van de faciliteit worden verzocht. Als bij de afsplitsing negatieve winst wordt behaald kan het zijn dat latere heffing niet is verzekerd. Voorwaarde 12 bevat een regeling die dit voorkomt. Zie voor een toelichting op deze voorwaarde paragraaf 6. De faciliteit van artikel 14a Wet Vpb 1969 wordt niet verleend, als de afsplitsing in overwegende mate is gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing. Dit wordt geacht het geval te zijn als de afsplitsing niet plaatsvindt op grond van zakelijke overwegingen zoals herstructurering of rationalisering van de actieve werkzaamheden van de afsplitsende – en de verkrijgende rechtspersonen. Belanghebbende heeft echter de mogelijkheid aannemelijk te maken dat de afsplitsing niet in overwegende mate is gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing. Bij de beoordeling of sprake is van de herstructurering van de actieve werkzaamheden van de afsplitsende rechtspersoon en de verkrijgende rechtspersoon, moet de situatie die vóór de afsplitsing aanwezig was, worden vergeleken met de situatie die door de afsplitsing ontstaat. De afsplitsing van een onderneming naar een nieuw opgerichte dochtermaatschappij kan in dit verband worden aangemerkt als een reorganisatie van de actieve werkzaamheden van de afsplitsende- en de verkrijgende rechtspersoon.1Kamerstukken II 1999/00, 26 727, nr. 17, p. 71. Zakelijke overwegingen worden geacht niet aanwezig te zijn, als aandelen in de afsplitsende rechtspersoon dan wel een verkrijgende rechtspersoon binnen drie jaar na de afsplitsing worden vervreemd aan een lichaam dat niet met de afsplitsende rechtspersoon en de verkrijgende rechtspersonen is verbonden in de zin van artikel 10a, vierde lid, Wet Vpb 1969. Ook in deze situatie heeft belanghebbende de mogelijkheid het tegendeel aannemelijk te maken. Ter verduidelijking: de beslissing van de inspecteur op het verzoek van artikel 14a, derde lid, Wet Vpb 1969 geeft geen uitsluitsel over de toets van artikel 14a, zesde lid, Wet Vpb 1969.2Dit beleidsonderdeel is tot stand gekomen naar aanleiding van het kennisgroepstandpunt KG032:2023:4, dat eerder is gepubliceerd op de website kennisgroepen.belastingdienst.nl. De afsplitsende rechtspersoon die zekerheid wenst omtrent de vraag of de afsplitsing niet wordt geacht in overwegende mate te zijn gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing, kan voor de splitsing een verzoek indienen bij de inspecteur, die daarop beslist bij voor bezwaar vatbare beschikking grond van artikel 14a, achtste lid, Wet Vpb 1969. Als een verkrijgende rechtspersoon over bepaalde fiscale aanspraken beschikt, bijvoorbeeld verliesverrekeningsaanspraken, is de faciliteit alleen mogelijk via het derde lid van artikel 14a Wet Vpb 1969. Bepleit is wel dat deze regel geen toepassing vindt bij een verkrijgende rechtspersoon die als dochtermaatschappij is opgenomen in een fiscale eenheid als bedoeld in artikel 15 Wet Vpb 1969. De fiscale aanspraken van de fiscale eenheid zouden volgens die benadering niet gelden als aanspraken van de verkrijgende rechtspersoon in de zin van artikel 14a, tweede lid, Wet Vpb 1969. Wat er zij van de juistheid van deze zienswijze, ik ben van mening dat in de bedoelde situatie zonder nadere voorwaarden de heffing niet is verzekerd, zodat alleen al daarom de faciliteit hier slechts mogelijk is via toepassing van het derde lid van artikel 14a Wet Vpb 1969.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel