Op 2 oktober 2023 heeft VEN beroep ingesteld tegen het besluit WACC warmteleveranciers van 23 augustus 2023. In dit hoofdstuk beschrijft de ACM de wijzigingen die zijn aangebracht als gevolg van deze lopende beroepsprocedure bij het CBb.
Tijdens de beroepsprocedure hebben de ACM en VEN op verzoek van het CBb deskundigen opdracht gegeven een onderzoeksrapport op te stellen over de invulling van het redelijk rendement door de ACM.
Het deskundigenrapport is op de zitting van 12 november 2024 besproken. De hierna te beschrijven wijzigingen op het oorspronkelijke besluit van 23 augustus 2023 komen voort uit het opgeleverde onderzoeksrapport en de daaruit voortvloeiende afspraken die op de zitting van 12 november 2024 zijn vastgesteld en die per proces-verbaal aan procespartijen zijn nagestuurd.39Proces-verbaal van 18 november 2024, ACM/IN/935557.
Op de zitting van 12 november 2024 is afgesproken dat de ACM meer dan de in het oorspronkelijke besluit van 23 augustus 2023 gehanteerde 15 datapunten verzamelt om een opslag op de kostenvoet vreemd vermogen (hierna: KVV) van kleinere warmteleveranciers te bepalen. Op zitting is gesteld dat het verzamelen van meer gegevens differentiatie van de KVV naar grootte van het bedrijf mogelijk maakt, waar voorheen slechts één gewogen gemiddelde op basis van 15 relatief grote warmteleveranciers werd gebruikt. Zoals gesteld in het deskundigenrapport randnummer 10:
‘’Enig houvast kan gevonden worden in het rekenen met de werkelijke financieringskosten voor vreemd vermogen zoals gerechtelijk besloten. Belangrijk dan wel om dan niet te werken met de (gewogen) gemiddelde werkelijke kosten van vreemd vermogen, maar de kosten die bij de grootte van de onderneming horen. ‘’
Volgens het deskundigenrapport zou differentiatie moeten leiden tot een opslag op de KVV voor kleinere warmteleveranciers, omdat er wordt aangenomen dat kleinere partijen moeilijker met risico’s kunnen omgaan40Pagina 8, rnr. 10: ‘’ Voor wat betreft de omvang van warmtebedrijven: het is voor kleinere warmtebedrijven moeilijker om met risico’s om te gaan. Ze kunnen veel gemakkelijker in de problemen komen door zowel systematisch (beta) als niet-systematisch (dus idiosyncratisch) risico.’’. De deskundigen nemen dus aan dat de KVV hoger is naarmate een warmteleverancier kleiner is. Op grond van het proces-verbaal van de zitting van 12 november 2024 heeft de ACM deze stelling door middel van een brede data-uitvraag onder Nederlandse warmteleveranciers onderzocht. Daarnaast suggereert het deskundigenrapport dat de opslag een indicatie kan geven voor een opslag op de kostenvoet eigen vermogen (hierna: KEV).
De resultaten van het onderzoek laten zien dat kleinere warmteleveranciers geen hogere gewogen gemiddelde KVV hebben in vergelijking met grotere warmteleveranciers. Deze empirische bevindingen staan haaks op de aannames van het deskundigenrapport. Op grond van deze uitkomsten ziet de ACM geen reden voor het toepassen van een opslag voor kleine warmteleveranciers op de KVV, en evenmin op de KEV. Wel stijgt de gewogen gemiddelde KVV voor alle warmteleveranciers dankzij een recenter peilmoment. De ACM heeft deze gestegen gewogen gemiddelde KVV meegenomen. De verzameling, verwerking en analyse van de data zijn in de onderstaande paragrafen door de ACM uiteengezet.
Voor het aanvullend onderzoek heeft de ACM een informatieverzoek opgesteld. Voor dit informatieverzoek is een bredere groep dan alleen de vergunninghouders aangeschreven. Dit met als doel om zo veel mogelijk datapunten te verzamelen en de informatie van kleinere warmteleveranciers te betrekken in het onderzoek. De ACM heeft een lijst van warmteleveranciers opgesteld op basis van het warmtenetregister41Op basis van artikel 40 Warmtewet hebben warmteleveranciers een meldplicht., een lijst van bij de ACM bekende contactgegevens van warmteleveranciers en een lijst met partijen die subsidie hebben ontvangen vanwege het prijsplafond (RVO)42Subsidieregeling bekostiging plafond energietarieven kleinverbruikers 2023 (CEK23).. Vervolgens heeft de ACM gecontroleerd of de partijen die hieruit naar voren kwamen als actief zijn aangemerkt in het handelsregister van de Kamer van Koophandel en of ze warmte leveren als hoofdtaak.
Dit resulteerde in een totaal van 132 Nederlandse warmteleveranciers, naar wie de ACM op 10 januari 2025 een informatieverzoek heeft verstuurd. Aan hen is gevraagd om uiterlijk op 27 januari 2025 de volgende gegevens aan te leveren43Informatieverzoek met kenmerk ACM/UIT/638682 en zaaknummer ACM/24/193126.: algemene bedrijfsinformatie, aantal warmteaansluitingen (grootverbruik en kleinverbruik), aantal FTE in dienst per 31-12-2023, eigen vermogen, vreemd vermogen, totale activa, en totale rentedragende schulden per 31-12-2022 en 31-12-2023, netto-omzet, totale rentelasten op uitstaande rentedragende schulden en transactiekosten op uitstaande rentedragende schulden voor het jaar 2023. Daarnaast zijn een reeks gegevens opgevraagd met betrekking tot de afgesloten kredietovereenkomsten: de naam van de verstrekker, de omvang van de overeenkomst in euro’s, de ingangsdatum, de einddatum, het rentepercentage, het aflossingsschema, de transactiekosten, eventuele garanties, onderpand en overige voorwaarden. Deze informatie stelt de ACM in staat om per warmteleverancier de KVV te bepalen.
Na de verstrijking van de eerste deadline op 27 januari 2025 hadden 99 van de 132 aangeschreven warmteleveranciers gereageerd. Op 31 januari heeft de ACM 18 van de 33 ontbrekende leveranciers een rappel verstuurd met het verzoek om zo spoedig mogelijk te reageren. Daarnaast is uitstel tot 3 februari verleend aan 6 van de 33 ontbrekende leveranciers. Verder heeft de ACM één leverancier buiten beschouwing gelaten wegens onjuiste contactgegevens, en één leverancier omdat deze niet in staat was informatie te leveren. Met de resterende 7 leveranciers is separate afstemming geweest over de aanlevering van informatie. Bovendien heeft de ACM op 6 februari een aantal leveranciers per mail aanvullende vragen gesteld omtrent de kwaliteit van de data. Deze partijen werd verzocht om uiterlijk 12 februari te reageren. De definitieve deadline voor de aanlevering van de ontvangen gegevens was 17 februari 2025.
Van de 132 aangeschreven warmteleveranciers hebben er na de definitieve deadline in totaal 118 gereageerd op het informatieverzoek van de ACM. Dit komt neer op een responspercentage van 89%. Van de 14 leveranciers die niet hebben gereageerd leverden er twee geen warmte meer. Daarnaast hebben drie leveranciers de vereiste informatie niet in het Excel-format aangeleverd, ondanks herhaaldelijk verzoek van de ACM. Dit maakte het inlezen van de data niet mogelijk.
De ACM heeft een aantal gegevens eerst bewerkt, om ze bruikbaar te maken voor de analyse. Allereerst is bij [vertrouwelijk 1] de rente op kredietovereenkomst 1 en 2 bepaald op basis van het meegeleverde Excel-bestand. De ACM heeft het gemiddelde van de opgegeven rentes gehanteerd, gewogen naar omvang van de leningen. Ten tweede zijn alle entiteiten van de [vertrouwelijk 2] geconsolideerd tot één observatie, onder de naam [vertrouwelijk 3], omdat financiering op dit niveau plaatsvindt. Ten derde is [vertrouwelijk 4] buiten beschouwing gelaten omdat de gerapporteerde rentelasten negatief zijn. Dit geeft, zoals aangegeven door [vertrouwelijk 4] zelf, geen representatief beeld van de rentelasten. Ten vierde heeft de ACM bij [vertrouwelijk 6] een KVV van 1% gehanteerd. Dit percentage is overgenomen uit de opgegeven kredietovereenkomst. De ACM heeft de vooraf ingevulde rentelasten niet gebruikt omdat de extreem laag zijn. Dit acht de ACM niet representatief. Ten vijfde hanteert de ACM voor [vertrouwelijk 7] een KVV van 0,7%, conform de gerapporteerde rente op de enige kredietovereenkomst van dit warmtebedrijf. Dit percentage is gebruikt omdat rentelasten ontbraken wegens financiering halverwege het boekjaar. Ten zesde gebruikt de ACM voor [vertrouwelijk 8] een KVV van 2%, conform de gerapporteerde rente op de enige kredietovereenkomst van deze warmteleverancier. Dit warmtebedrijf had negatieve rentelasten gerapporteerd in 2023, en dat acht de ACM niet representatief voor de werkelijke financieringskosten. Verder zijn [vertrouwelijk 8, 9, 10 en 11] buiten beschouwing gelaten, omdat al deze entiteiten vallen onder [vertrouwelijk 12] en voor deze vier warmteleveranciers exact dezelfde gegevens zijn ingevuld. Tenslotte zijn [vertrouwelijk 13] en [vertrouwelijk 14] buiten beschouwing gelaten omdat deze warmteleveranciers enkel een interne rekenrente hebben opgegeven. Gezien de interne rekenrente gemakkelijk kan worden gemanipuleerd is dit voor de ACM geen betrouwbare maatstaf van de werkelijke kosten van het vreemd vermogen.
De dataset bevat na deze bewerkingen 84 juridische entiteiten die warmte leveren. De statistische analyse is op basis van deze gegevens uitgevoerd.
De ACM maakt gebruik van de algemeen geaccepteerde classificatie van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en Eurostat44Internal Market, Industry, Entrepreneurship and SMEs - SME Definition om de grootteklasse van een warmteleverancier te bepalen. Deze classificatie is weergegeven in Tabel A. Warmteleveranciers kunnen worden ingedeeld in de klassen micro, klein, middelgroot of groot op basis van een van de volgende drie variabelen: totale activa, omzet en FTE.
Totale Activa
Omzet
FTE
Micro
<2 mln.
<2 mln.
<10
Klein
<10 mln.
<10 mln.
<50
Middelgroot
<43 mln.
<50 mln.
<250
Groot
>43 mln.
>50 mln.
>250
Uit het informatieverzoek45Informatieverzoek met kenmerk ACM/UIT/638682 en zaaknummer ACM/24/193126. van de ACM blijkt dat een classificatie van warmteleveranciers op basis van het gerapporteerde aantal FTE niet goed mogelijk is. Dit komt omdat het personeel en de activa doorgaans in aparte juridische entiteiten is ondergebracht. Ons informatieverzoek bevat enkel de uitvraag van de gegevens voor de juridische entiteit die de warmteactiviteiten exploiteert. Het gerapporteerde aantal FTE is daarom vaak ontoereikend. De ACM hanteert om deze reden een classificatie op basis van totale activa en een classificatie op basis van omzet.
In deze paragraaf beschrijft de ACM enkele variabelen die door de ACM zijn geconstrueerd ten behoeve van de data-analyse.
De variabele rentedragende schulden zijn gedefinieerd als het gemiddelde van de stand van de totale gerapporteerde rentedragende schulden per 31-12-2022 en 31-12-2023. Een nauwkeurigere berekening van de gemiddelde rentedragende schulden door maandelijks te wegen is doorgaans niet mogelijk. Dit komt doordat de meeste entiteiten meerdere kredietovereenkomsten hebben afgesloten en de ACM niet beschikt over gegevens omtrent tussentijdse aflossingen. Daarnaast is de hoofdsom van sommige kredietovereenkomsten variabel. In enkele bijzondere gevallen zijn de totale rentedragende schulden nul per 31-12-2022 of 31-12-2023, bijvoorbeeld door volledige aflossing van de schuld of het aantrekken van nieuwe financiering gedurende het jaar. De ACM heeft hierover aanvullende vragen gesteld indien nodig. De ACM heeft waar mogelijk het maandelijks gewogen gemiddelde toegepast in deze gevallen. Voor enkele uitzonderingen is de stand van de rentedragende schulden per 1-1-2023 of 31-12-2023 gebruikt.
De variabele KVV is berekend als de som van de totale rentelasten met betrekking tot warmteactiviteiten over 2023 plus transactiekosten, gedeeld door de rentedragende schulden:
De variabele totale activa omvat het gemidelde van de stand van de gerapporteerde totale activa per 31-12-2022 en 31-12-2023.
In de dataset van de ACM financiert ongeveer 66,7% van de ondervraagde warmteleveranciers zich met rentedragende schulden. Daarentegen hebben ongeveer 33,3% van de leveranciers in het onderzoek geen rentedragende schulden en rentelasten gerapporteerd. Deze groep bestaat hoofdzakelijk uit micro-ondernemingen (ca. 70%), enkele kleine (ca. 19%) en drie middelgrote ondernemingen (ca. 11%).
Figuur B toont een staafdiagram waarin de indeling van de warmteleveranciers in de dataset is weergegeven. De leveranciers zijn ingedeeld in vier grootteklassen, zowel op basis van de gemiddelde totale activa als de omzet in 2023. De bijbehorende cijfers zijn eveneens te vinden in Tabel B.
Classificatie o.b.v. totale activa (gemiddelde 2023)
Classificatie o.b.v. omzet
(2023)
Aantal micro
37
63
Aantal klein
32
15
Aantal middelgroot
9
1
Aantal groot
6
5
Tabel B laat zien dat de dataset van de ACM relatief veel kleine warmteleveranciers bevat. Dit sluit aan bij het proces-verbaal op grond waarvan de ACM de mogelijkheid dient te onderzoeken om een nader te bepalen opslag voor de kosten van vreemd vermogen vast te stellen, waarbij wordt gedifferentieerd naar grootte. Daarbij dient de ACM uit te gaan van meer dan de in het oorspronkelijke WACC-besluit gehanteerde 15 datapunten. Op basis de totale activa zijn er 37 micro-leveranciers, 32 kleine leveranciers, 9 middelgrote leveranciers en 6 grote leveranciers in de dataset. Wanneer deze ondernemingen op basis van omzet worden ingedeeld bevat de dataset 63 micro-leveranciers, 15 kleine leveranciers, 1 middelgrote leverancier en 5 grote leveranciers.
Figuur C toont een staafdiagram waarin de totale activa en de totale rentedragende schulden voor elk van de grootteklassen zijn weergegeven. De bijbehorende cijfers zijn eveneens te vinden in Tabel C.
Totale activa(gemiddelde 2023 in EUR)
Totale rentedragende schulden (gemiddelde 2023 in EUR)
Micro
17.321.460
7.493.979
Klein
127.484.600
73.555.730
Middelgroot
110.303.700
56.421.070
Groot
2.431.312.000
1.283.819.000
Figuur C laat zien dat de Nederlandse warmtemarkt wordt gedomineerd door de grote warmteleveranciers wat betreft totale activa en totale rentedragende schulden. De totale activa en de rentedragende schulden van de grootste warmteleveranciers gezamenlijk bedragen respectievelijk ongeveer 2,5 miljard en 1,3 miljard euro. Dit is aanzienlijk meer dan de gecombineerde waarden van de overige categorieën. De grootste warmteleveranciers hebben dus een aanzienlijke impact op de gewogen gemiddelde KVV.
Om het verband tussen de KVV en grootte te onderzoeken is informatie over rentedragende schulden vereist. Daarom gebruikt de ACM voor de analyse enkel de observaties met gerapporteerde rentedragende schulden groter dan nul. Van de volledige dataset rapporteert 66,7% dergelijke schulden. De finale dataset bestaat daarom uit 56 entiteiten waarvoor een KVV kan worden vastgesteld.
Figuur D toont een staafdiagram waarin de indeling van de warmteleveranciers met rentedragende schulden groter dan nul is weergegeven. De bijbehorende cijfers zijn eveneens te vinden in Tabel D. Op basis van de totale activa zijn er 18 micro-leveranciers, 26 kleine leveranciers, 6 middelgrote leveranciers en 6 grote leveranciers in de finale dataset. Wanneer deze observaties op basis van omzet worden ingedeeld bevat de finale dataset 40 micro-leveranciers, 10 kleine leveranciers, 1 middelgrote leverancier en 5 grote leveranciers. Ten opzichte van Figuur D is het aantal micro-leveranciers het meeste afgenomen. Dit laat zien dat relatief veel micro-leveranciers zich zonder rentedragende schulden financieren, in lijn met randnummer 97i.
Classificatie o.b.v. totale activa (gemiddelde 2023)
Classificatie o.b.v. omzet
(2023)
Aantal micro
18
40
Aantal klein
26
10
Aantal middelgroot
6
1
Aantal groot
6
5
In deze paragraaf beschrijft de ACM de resultaten van de analyse naar het verband tussen de KVV en de grootte van warmteleveranciers.
Figuur E toont een staafdiagram met de gewogen gemiddelde KVV per grootteklasse, gewogen op basis van rentedragende schulden. De bijbehorende gegevens staan in Tabel E. Micro-leveranciers hebben een gewogen gemiddelde KVV van 3,43%, gevolgd door kleine leveranciers met 3,18%, middelgrote leveranciers met 2,18% en grote leveranciers met 4,19%. Het gewogen gemiddelde voor de gehele finale dataset is gelijk aan 4,05%. Figuur E geeft daarnaast de spreiding per grootteklasse weer aan de hand van het gewogen 25ste en 75ste percentiel. Deze spreiding is het grootst bij micro- en kleine leveranciers.
Gewogen gemiddelde KVV
Gewogen 25e percentiel
Gewogen 75e percentiel
Micro
3,427%
1,560%
4,437%
Klein
3,182%
2,061%
3,961%
Middelgroot
2,180%
1,991%
2,810%
Groot
4,186%
3,599%
4,486%
De ACM constateert op basis van Figuur E dat de gewogen gemiddelde KVV van micro-, kleine- en middelgrote leveranciers onder het sectorgemiddelde ligt. Deze empirische bevinding ontkracht de aanname uit het deskundigenrapport dat kleinere warmteondernemingen hogere financieringslasten zouden hebben. Uit de analyse blijkt juist dat de grootste warmteleveranciers relatief hoge rentelasten rapporteren. Deze leveranciers trekken het gewogen gemiddelde van de gehele dataset omhoog. Kleinere warmteleveranciers krijgen aldus een vergoeding die hoger ligt dan hun werkelijke kosten voor vreemd vermogen. De ACM ziet geen rechtvaardiging voor een opslag op de KVV voor kleine leveranciers op basis van deze werkelijke gegevens.
Verder stelt de ACM vast dat voor de jaren 2023–2025 de gewogen gemiddelde KVV hoger uitkomt dan in het oorspronkelijk besluit: 4,05% tegenover 3,31%. Deze stijging kan worden verklaard door het gebruik van een recentere peildatum in de huidige dataset. Door toegenomen kapitaalmarktrentes in de periode 2022-2023 heeft dit een aanzienlijk opwaarts effect op de KVV. Dit heeft de ACM meegenomen.
In Figuur F classificeert de ACM de warmteleveranciers in de dataset op basis van omzet in plaats van totale activa. De bijbehorende gegevens staan in Tabel F. De conclusie blijft onveranderd: ook op basis van indeling naar omzet hebben micro-, kleine en middelgrote warmteleveranciers een lagere gewogen gemiddelde KVV dan grote warmteleveranciers. De ACM ziet wederom geen rechtvaardiging voor een opslag op de KVV voor kleine leveranciers op basis van deze werkelijke gegevens.
Gewogen gemiddelde KVV
Gewogen 25e percentiel
Gewogen 75e percentiel
Micro
3,323%
2,061%
3,961%
Klein
2,245%
1,788%
2,810%
Middelgroot
2,724%
2,724%
2,724%
Groot
4,440%
3,599%
4,486%
De ACM heeft het verband tussen de KVV en grootte ook geanalyseerd met behulp van spreidingsdiagrammen.46Met deze diagrammen kan het verband tussen twee variabelen worden gevisualiseerd. Vanwege bedrijfsvertrouwelijkheid zijn deze niet opgenomen in dit besluit47ACM/INT/528617. De analyse op basis van zowel totale activa als omzet toont een brede spreiding van punten zonder duidelijk patroon. Hoewel de spreidingsdiagram in beide gevallen een licht opwaarts verband aangeeft, constateert de ACM dat de spreiding te groot is om statistisch significante conclusies te trekken. Van een negatief verband, zoals verondersteld in het deskundigenrapport, is in elk geval geen sprake. Ter controle is dezelfde analyse uitgevoerd met het aantal aansluitingen als maatstaf voor grootte. Dit had geen invloed op de resultaten.
Ten tweede heeft de ACM de analyse zoals beschreven in paragraaf 5a.5 ook uitgevoerd met de classificatie van de Kamer van Koophandel (hierna: KvK), in plaats van de classificatie van het CBS en Eurostat. De grenzen voor de grootteklassen liggen volgens de definitie van de KvK iets lager, waardoor ondernemingen eerder als groot worden aangemerkt. Deze analyse is hier niet weergegeven48ACM/INT/524310, maar de conclusie is nagenoeg identiek aan Figuur E.
Figuur G toont een staafdiagram met de ongewogen gemiddelde KVV per grootteklasse, gebaseerd op de classificatie naar totale activa. De bijbehorende gegevens staan in Tabel G. Micro-leveranciers hebben een ongewogen gemiddelde KVV van 3,60%, gevolgd door kleine leveranciers met 3,35%, middelgrote leveranciers met 2,37% en grote leveranciers met 4,43%. Het gewogen gemiddelde voor de gehele finale dataset is gelijk aan 3,44%. Dit is 0,61 procentpunt lager dan het gewogen gemiddelde.
Gemiddelde KVV
25e percentiel
75e percentiel
Micro
3,600%
2,026%
4.437%
Klein
3,355%
1,981%
3.961%
Middelgroot
2,371%
1,991%
2.810%
Groot
4,428%
2,962%
4.486%
Figuur G laat zien dat micro-leveranciers een KVV hebben van 3,6%. Dit ligt 0,16 procentpunt boven het ongewogen sectorgemiddelde. Deze KVV blijft echter lager dan het gewogen sectorgemiddelde van 4,05%, zoals weergegeven in Figuur E. De ACM houdt vast aan het gebruik van het gewogen gemiddelde conform het advies van Brattle. Het adviesrapport Brattle49The WACC for Heating Companies in the Netherlands, 7 augustus 2023, randnummer 20. beveelt het gebruik van het gewogen gemiddelde aan, met als wegingsfactor de rentedragende schulden, omdat deze methode meer gewicht toekent aan grotere schuldenuitgiftes met stabielere rentepercentages.
De ACM realiseert zich dat er een veelheid aan factoren van invloed zijn op de KVV van een warmtebedrijf. Grote verschillen in deze factoren tussen de grootteklassen kunnen mogelijk verklaren waarom de gewogen gemiddelde KVV van kleinere warmteleveranciers relatief lager uitvalt dan door de deskundigen is aangenomen. De ACM beschikt over gegevens voor vier mogelijk relevante factoren: (1) het percentage warmteleveranciers met een moedermaatschappij, (2) het percentage warmteleveranciers met garanties op één of meerdere leningen, (3) het percentage warmteleveranciers met onderpand op één of meerdere leningen, en (4) de gemiddelde looptijd van de leenportefeuille van het warmtebedrijf. Een nadere analyse van deze factoren leidt niet tot andere conclusies ten aanzien van de KVV.
Tabel H toont de verdeling van het percentage warmteleveranciers met een moedermaatschappij, garanties op lening(en) en onderpand op lening(en) over de grootteklassen50Classificatie op basis van totale activa.. Bovendien geeft Tabel H de gemiddelde looptijd van de leenportefeuille weer per grootteklasse.
Percentage met moedermaatschappij
Percentage met garantie(s) op lening(en)
Percentage met onderpand op lening(en)
Gemiddelde
Looptijd
N
Micro
61,11%
22,22%
27,78%
12,8 jaar
18
Klein
73,08%
15,38%
38,46%
13,1 jaar
26
Middelgroot
100,00%
16,67%
33,33%
13,9 jaar
6
Groot
83,33%
66,67%
33,33%
12,8 jaar
6
Totaal
73,21%
23,21%
33,93
13,1 jaar
56
Tabel H toont aan dat voor alle variabelen de verschillen tussen de grootteklassen relatief gering zijn. Zowel voor het percentage warmteleveranciers met een moedermaatschappij als voor garanties, onderpand en de gemiddelde looptijd van de leenportefeuille liggen de vier klassen dicht rondom het sectorgemiddelde51Met uitzondering van het percentage grote warmteleveranciers met garanties, dit ligt een stuk hoger dan bij de overige grootteklassen. Dit zou in theorie een drukkend effect kunnen hebben op de rentelasten van grote warmtebedrijven.. De ACM acht het daarom onwaarschijnlijk dat deze variabelen van substantiële invloed zijn op het verband tussen KVV en grootte.
De ACM is additioneel – naast het empirische onderzoek – nagegaan of het mogelijk is om op basis van inzichten uit andere sectoren een opslag te vaststellen. De ACM heeft gekeken naar publicaties van andere regulators 52Zie (i) Nordic heating and cooling: Nordic approach to EU's Heating and Cooling Strategy, (ii) The French District Heating Market- Overview, Opportunities and Challenges, (iii) The role of district heating in the energy system (iv) Best Practice Guide - District Heating by Sweden, District Heating and Cooling in France.en studies53Zie (i) M.S. Triebs, E. Papadis, H. Cramer, G. Tsatsaronis (2021): Landscape of district heating systems in Germany - Status quo and categorization, (ii) K. Johansen, S. Werner (2022); Something is sustainable in the state of Denmark: A review of the Danish district heating sector, (iii) A. Egüez (2021): District heating network ownership and prices: The case of an unregulated natural monopoly, (iv) Overview of District Heating and Cooling Markets and Regulatory Frameworks under the Revised Renewable Energy Directive. over de warmtemarkt in Europa. Deze publicaties en studies hebben niet tot inzichten geleid die een opslag kunnen rechtvaardigen, mede vanwege de heterogeniteit die die warmtesector kenmerkt. Concrete aanknopingspunten voor het aanbrengen van differentiatie en het toepassen van een opslag zijn niet gevonden.
De ACM concludeert dat kleinere warmteleveranciers geen hogere KVV hebben. De gewogen gemiddelde KVV van micro-, kleine en middelgrote warmteleveranciers ligt onder het sectorgemiddelde. Dit weerspreekt de aannames in het deskundigenrapport. De ACM constateert op basis van werkelijke kosten dat er geen opslag bestaat voor de KVV van kleine warmteleveranciers. Omdat de grootste Nederlandse warmteleveranciers relatief hoge rentelasten rapporteren trekken zij het gewogen sectorgemiddelde omhoog. De kleinere warmteleveranciers profiteren hiervan: zij krijgen een vergoeding die hoger ligt dan hun werkelijke gewogen gemiddelde KVV. Wel stijgt de gewogen gemiddelde KVV voor alle warmteleveranciers dankzij de grotere dataset en een recenter peilmoment.
Omdat het onderzoek van de ACM aantoont dat er geen opslag bestaat voor kleine warmteleveranciers ten aanzien van de KVV, volgt dat er geen opslag kan worden vastgesteld voor de KEV. Daarbij benadrukt de ACM dat de grootste warmteleveranciers in de dataset qua omvang (in termen van totale activa) vergelijkbaar zijn met ondernemingen in de vergelijkingsgroep van de KEV. Omdat er geen verschil bestaat in de KVV tussen grote en kleinere warmteleveranciers, acht de ACM het uitgesloten dat een dergelijk verschil wel zou moeten gelden voor de KEV.
Artikel 5a
Onderzoek naar opslagen KVV (en KEV)
Onderdeel van Gewijzigd besluit redelijk rendement warmteleveranciers· Contracten, schade en aansprakelijkheid
Deze tekst geldt sinds 9 oktober 2025