**1.** Onze Ministers zenden binnen vijf jaar een verslag over de doeltreffendheid en de effecten in de praktijk van het bij of krachtens deze wet bepaalde en rapporteren hier vervolgens elke twee jaar over.
**2.** Het verslag, bedoeld in het eerste lid, wordt uitgevoerd door een onafhankelijke commissie bestaande uit deskundigen op het gebied van jeugdzorg, bestuurskunde en jeugdrecht, alsmede vertegenwoordigers van cliëntenorganisaties en gemeenten.
**3.** In het verslag en de rapportages, bedoeld in het eerste lid, wordt beoordeeld of:
De mate waarin deze wet daadwerkelijk bijdraagt aan het bevorderen van een toereikend aanbod van de vormen van jeugdhulp als bedoeld in artikel 2.19, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, en gecertificeerde instellingen voor de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering;
De impact van deze wet op wachttijden, de toegankelijkheid en de kwaliteit van de vormen van jeugdhulp als bedoeld in artikel 2.19, eerste lid, onderdeel a, onder 1° en gecertificeerde instellingen;
De administratieve lasten voor gemeenten, jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen;
De financiële gevolgen van deze wet, en
De ervaringen van jeugdigen en gezinnen met de beschikbaarheid en kwaliteit van de vormen van jeugdhulp als bedoeld in artikel 2.19, eerste lid, onderdeel a, onder 1° en gecertificeerde instellingen.
**4.** Indien uit twee opeenvolgende rapportages blijkt dat de beoogde doelen van deze wet niet worden behaald en er geen significant positieve impact wordt vastgesteld, informeren Onze Ministers, in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties beide Kamers der Staten-Generaal zo spoedig mogelijk over de mogelijk benodigde maatregelen.
Artikel VII
Evaluatiebepaling
Onderdeel van Wet verbetering beschikbaarheid jeugdzorg· Gezondheidsrecht en farmaceutisch recht
Deze tekst geldt sinds 1 januari 2026