**1.** Op de gronden gelegen in de veiligheidsgebieden als bedoeld in artikelen 10, tweede lid:
is een obstakel niet toegestaan, tenzij dit breekbaar en licht van constructie is en voldoet aan de voorschriften, bedoeld in artikel 7, derde lid, van de Regeling burgerluchthavens;
zijn hellingen niet groter dan 5%;
zijn hellingovergangen zo geleidelijk mogelijk; en
zijn abrupte overgangen en plotseling tegengestelde hellingen niet toegestaan.
**2.** Het eerste lid geldt niet indien:
het obstakel of de helling is opgericht, geplaatst of aangelegd overeenkomstig een omgevingsvergunning voor het bouwen of een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit;
voor het obstakel of de helling vóór het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit een omgevingsvergunning voor het bouwen of een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit is verleend; of
het obstakel een boom of struik betreft, tenzij de Inspectie Leefomgeving en Transport op schriftelijk verzoek van de exploitant van de luchthaven oordeelt dat de boom of struik een onaanvaardbaar risico voor de vliegveiligheid oplevert of leidt tot ernstige operationele beperkingen in het gebruik van de luchthaven.
**3.** Het is verboden om op de gronden, bedoeld in het eerste lid, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid uit te voeren voor zover dit werk of deze werkzaamheid niet voldoet aan de eisen met betrekking tot de vlakheid van het terrein, bedoeld in het eerste lid.
Hoofdstuk 3
Artikel 14
Ruimtelijke beperkingen binnen het beperkingengebied in verband met veiligheid
Onderdeel van Luchthavenbesluit Eelde· Vervoersrecht
Deze tekst geldt sinds 1 november 2025