Naar hoofdinhoud

Paragraaf 2

Artikel 2.2

Subsidiabele activiteiten

Onderdeel van Deelregeling Bewustwording Slavernijverleden· Cultureel recht

Deze tekst geldt sinds 22 november 2025

1. Instellingen, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, kunnen subsidie aanvragen voor het aanstellen van, of een opdracht verlenen aan een beeldend kunstenaar, curator of erfgoedprofessional die een onderzoek gaat uitvoeren, een artistiek project gaat ontwikkelen en presenteren, of programma’s ontwikkelt die bijdragen aan bewustwording over het slavernijverleden. 2. De betrokken beeldend kunstenaar, curator of erfgoedprofessional beschikt over een aantoonbare beroepspraktijk binnen de professionele beeldende kunst en/of het erfgoedveld. 3. Binnen de aangevraagde trajecten dient ruimte geboden te worden voor het perspectief van de van oorsprong niet-Europese gemeenschappen die onlosmakelijk verbonden zijn met het slavernijverleden, waaronder de nazaten van tot slaaf gemaakten, de oorspronkelijke bewoners in Suriname en Sint Maarten, Saba, Sint Eustatius, Aruba, Bonaire, Curaçao, Chinese, Javaanse, en Hindostaanse contractarbeiders, of bijvoorbeeld Molukse, Ghanese en Zuid-Afrikaanse gemeenschappen. Een of meer van deze gemeenschappen dienen een belangrijke rol in het plan te vervullen. 4. Stapeling van subsidies is niet toegestaan; instellingen kunnen in het kader van deze regeling geen personen aanstellen die binnen deze regeling een individuele subsidie ontvangen. 5. Instellingen kunnen maximaal één keer per ronde een subsidie Bewustwording Slavernijverleden ontvangen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel