Naar hoofdinhoud

Paragraaf 3

Artikel 3.2

Subsidiabele activiteiten

Onderdeel van Deelregeling Bewustwording Slavernijverleden· Cultureel recht

Deze tekst geldt sinds 22 november 2025

1. Individuen, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, kunnen subsidie aanvragen voor het uitvoeren van een specifiek plan, gebonden aan een duidelijke werkperiode, dat bijdraagt aan de bewustwording van het slavernijverleden. Hierbij geldt: beeldend kunstenaars, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, onder a, kunnen subsidie aanvragen voor het realiseren van een artistiek plan; onafhankelijke curatoren en beschouwers, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, onder b, kunnen subsidie aanvragen voor het verrichten van vooronderzoek en/of het ontwikkelen en presenteren van visies en verhalen. 2. Binnen de aangevraagde trajecten dient ruimte geboden te worden voor het perspectief van de van oorsprong niet-Europese gemeenschappen die onlosmakelijk verbonden zijn met het slavernijverleden, waaronder de nazaten van tot slaaf gemaakten, de oorspronkelijke bewoners in Suriname en Sint Maarten, Saba, Sint Eustatius, Aruba, Bonaire, Curaçao, Chinese, Javaanse, en Hindostaanse contractarbeiders, of bijvoorbeeld Molukse, Ghanese en Zuid-Afrikaanse gemeenschappen. Een of meer van deze gemeenschappen dienen een belangrijke rol in het plan te vervullen. 3. Geen subsidie wordt verstrekt voor: werkzaamheden die behoren tot de reguliere activiteiten van de aanvrager; werkzaamheden die in opdracht van een organisatie of andere derde worden verricht; of een werkperiode in een gastatelier in binnen- of buitenland dat deel uitmaakt van het residency-programma van het Mondriaan Fonds. 4. Stapeling van subsidies is niet toegestaan; individuen die in het kader van deze regeling door een instelling worden voorgedragen voor een project, residentie of werkplek kunnen binnen deze regeling geen individuele aanvraag indienen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel