**1.** De ministers dragen er zorg voor dat bij de voorbereiding van een inkoopopdracht, indien het vermoeden bestaat dat sprake kan zijn van risico’s voor de nationale veiligheid, een quick-scan wordt verricht, en indien de quick-scan laat zien dat dergelijke risico’s aan de orde kunnen zijn, in een risicoanalyse wordt nagegaan of sprake is van een Bijzondere opdracht, en zo ja, dan dragen zij er zorg voor dat de risico’s voor de nationale veiligheid schriftelijk worden vastgelegd en tevens of deze risico’s voldoende beheerst kunnen worden met mitigerende maatregelen.
**2.** Een minister die constateert dat de risico’s voor de nationale veiligheid, bedoeld in het vorige lid, niet of onvoldoende beheerst kunnen worden met mitigerende maatregelen, past het ABRO-voorschrift toe op die voorgenomen Bijzondere opdracht.
**3.** Een minister die het ABRO-voorschrift heeft toegepast op een voorgenomen Bijzondere opdracht, dient een aanvraag in bij het NBIV om te onderzoeken of de desbetreffende opdrachtnemer aan het ABRO-voorschrift voldoet.
**4.** Indien het NBIV constateert dat toepassing van het ABRO-voorschrift leidt tot een disproportionele of onuitvoerbare situatie, dan vindt overleg plaats tussen de desbetreffende minister en NBIV hoe in een dergelijke uitzonderlijke situatie de proportionaliteit en uitvoerbaarheid met maatwerk het beste zijn gediend, waarbij de risico’s voor de nationale veiligheid voldoende worden beheerst of, bij uitblijven hiervan, de minister beperkte risicoacceptatie toepast.
**5.** Een minister geeft een voorgenomen Bijzondere opdracht niet aan een desbetreffende opdrachtnemer van wie uit het onderzoek van het NBIV, bedoeld in het derde lid, is gebleken dat die opdrachtnemer niet voldoet aan het ABRO-voorschrift.
**6.** Een minister kan gemotiveerd afwijken van het bepaalde in het vijfde lid.
§ 2
Artikel 3
Risicomitigatie inkopen en nationale veiligheid
Onderdeel van Kaderbesluit ABRO Rijksdienst· Staats- en bestuursrecht
Deze tekst geldt sinds 1 januari 2026