De werkwijze voor vaststelling van een respijttermijn als bedoeld in artikel 46 van Verordening (EG) nr. 1107/2009 is als volgt bepaald:
Het Ctgb kan een respijttermijn vaststellen voor bestaande voorraden voor de in artikel 2 bedoelde gevallen.
Voor zover de redenen waarom de toelating (gedeeltelijk) wordt ingetrokken, gewijzigd of (gedeeltelijk) niet wordt verlengd verband houden met de bescherming van de gezondheid van mens of dier of het milieu, wordt er naar mate het risico voor de gezondheid van mens of dier of het milieu groter is een kortere, teruglopend tot geen, respijttermijn toegekend.
Bij de overweging om een respijttermijn vast te stellen weegt het Ctgb de bij het besluit betrokken belangen. In ieder geval wordt in deze afweging betrokken:
dat de termijn in redelijke verhouding staat tot de reden van intrekking of wijziging;
dat de termijn bij voorkeur niet afloopt binnen een gebruiksseizoen;
dat de lengte van de termijn mede afhangt van de mate waarin de wijziging of intrekking voor de markt of gebruiker onvoorzien was en van de mogelijkheden van de markt of gebruikers om de gevolgen van de plotselinge intrekking of wijziging op te vangen;
de mate van risico voor de gezondheid van mens of dier of het milieu en of er bij vergelijkbare middelen dergelijke risico’s bekend zijn in het kader van (her)beoordelingen;
de omvang van de bestaande voorraad van het betreffende gewasbeschermingsmiddel.
Een intrekking of wijziging van de toelating op verzoek van de toelatinghouder van het gewasbeschermingsmiddel is voorzienbaar. In die gevallen wordt in beginsel geen aflever- of opgebruiktermijn gegeven voor bestaande voorraden. Indien de toelatinghouder in deze situatie toch verzoekt om een aflever- of opgebruiktermijn, onderbouwt hij waarom er ondanks het voldoen aan diens eigen informatieplicht aan de markt en gebruikers toch sprake is van onvoorzienbaarheid voor die markt of gebruikers.
Bij het expireren van de toelating, wordt geen respijttermijn toegekend omdat het expireren van de toelating voorzienbaar is.
Indien de vergunning voor het in de handel brengen en gebruiken van de toelating van het moedermiddel wordt gewijzigd of (gedeeltelijk) wordt ingetrokken, volgen de afgeleide toelatingen de toelating van het moedermiddel. Het Ctgb kan voor deze afgeleide toelatingen een respijttermijn vaststellen overeenkomstig dit artikel.
Artikel 3
Werkwijze voor vaststelling van een respijttermijn
Onderdeel van Beleidsregel respijttermijnen voor gewasbeschermingsmiddelen· Agrarisch recht
Deze tekst geldt sinds 30 december 2025