Naar hoofdinhoud

Artikel 3

Vrijstellingen

Onderdeel van Kaderbesluit mrb· Belastingrecht

Deze tekst geldt sinds 1 januari 2026

Onder voorwaarden wordt vrijstelling van motorrijtuigenbelasting verleend voor motorrijtuigen die zijn ingericht en uitsluitend worden gebruikt voor de aanleg en het onderhoud van wegen (artikel 72, eerste lid, onderdeel j, van de wet en artikel 19 van het uitvoeringsbesluit). De vrijstelling wordt verleend als de houder van het motorrijtuig: zich bezighoudt met de aanleg en het onderhoud van wegen; en een verklaring overlegt dat het motorrijtuig is ingericht en uitsluitend wordt gebruikt voor de aanleg en het onderhoud van wegen. Een motorrijtuig voor de wegenbouw moet als zodanig zijn ingericht en uitsluitend daarvoor worden gebruikt. Dit betekent dat: het motorrijtuig zelf één der machines is die de weg aanleggen en onderhouden; en het motorrijtuig rechtstreeks voor het verrichten van de eigenlijke wegenbouwwerkzaamheden moet dienen. Motorrijtuigen die ook andere mogelijkheden van gebruik hebben dan enkel aanleg en onderhoud van wegen, kunnen dus niet onder de vrijstelling worden begrepen. Ook al wordt dat motorrijtuig uitsluitend gebruikt voor de genoemde aanleg en onderhoud. De inrichting is leidend. De inrichting moet zodanig zijn dat deze alleen dient voor de aanleg en onderhoud van wegen. In afwijking van het bovenstaande keur ik met toepassing van artikel 63 van de AWR (de hardheidsclausule) het volgende goed. Motorrijtuigen die zijn voorzien van een vaste inrichting die bestaat uit apparatuur om ter plaatse meetwerkzaamheden aan de weg te verrichten om te bepalen welk onderhoud van bestaande wegen noodzakelijk is, voldoen aan de voorwaarden met betrekking tot de inrichting voor toepassing van de vrijstelling. Apparatuur die buiten het motorrijtuig direct de weg aanlegt of bewerkt, wordt tot de vaste inrichtingen van het motorrijtuig gerekend, als: deze apparatuur rechtstreeks verbonden is met een motorrijtuig dat is voorzien van een specifieke inrichting om (reinigings)materialen naar en van deze apparatuur te verplaatsen; de bewerkingsfunctie buiten het motorrijtuig daarmee samen kan worden uitgevoerd; zonder deze voorziening de apparatuur geen zelfstandige functie heeft. Voor toepassing van de vrijstelling geldt bij beide goedkeuringen dat het motorrijtuig uitsluitend voor de aanleg en het onderhoud van wegen wordt gebruikt. Dit betekent dat de volgende motorrijtuigen wel onder de vrijstelling vallen: een plateau- of ladderwagen uitsluitend gebruikt voor de aanleg en het onderhoud van openbare verlichting aan wegen; een asfalt/teer-sproeiwagen met vaste inrichting en uitsluitend gebruikt voor de aanleg en het onderhoud van wegen; een vrachtauto met een vaste inrichting bedoeld en uitsluitend gebruikt voor het verrichten van metingen rechtstreeks aan de weg; een straal-/zuigwagen met een vaste inrichting en uitsluitend gebruikt voor het verwijderen van onderdelen van wegen, zoals wegmarkeringen; en een asfaltzaagauto en een emulsiewagen. De houder van het motorrijtuig moet zich bezighouden met de aanleg en het onderhoud van wegen. Dit betekent dat als wegen worden aangelegd en onderhouden met geleende, gehuurde of geleasete motorrijtuigen, de houder van deze motorrijtuigen niet in aanmerking komt voor de vrijstelling. Ik keur met toepassing van artikel 63 van de AWR (de hardheidsclausule) onder de volgende voorwaarden goed, dat de vrijstelling desondanks van toepassing is op geleende, gehuurde of geleasete motorrijtuigen. Voor deze goedkeuring gelden de volgende voorwaarden: het motorrijtuig wordt feitelijk gebruikt door een bedrijf dat zich bezighoudt met de aanleg en het onderhoud van wegen (artikel 19 van het uitvoeringsbesluit); en de Inspecteur heeft de feitelijke gebruiker aangemerkt als zogenaamde afwijkend houder (artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de wet). Als er geen verzoek om afwijkend houderschap wordt gedaan of de Inspecteur een daartoe strekkend verzoek niet kan inwilligen, is de vrijstelling niet van toepassing en is de uitlener, verhuurder dan wel het leasebedrijf als houder de belasting verschuldigd. Onder voorwaarden wordt vrijstelling van motorrijtuigenbelasting verleend voor motorrijtuigen die zijn ingericht en uitsluitend worden gebruikt als vuilniswagen (artikel 72, eerste lid, onderdeel h, van de wet, artikel 17 van het uitvoeringsbesluit). De vrijstelling voor vuilniswagens is ook van toepassing op motorrijtuigen waarmee chemisch afval wordt opgehaald (chemokar) en motorrijtuigen die zijn ingericht en uitsluitend worden gebruikt voor het ledigen van ondergrondse huisvuilcontainers. Voor toepassing van de vrijstelling moet het motorrijtuig in het kentekenregister op naam van een openbaar lichaam staan ingeschreven, of op naam van een bedrijf dat zich bezighoudt met werkzaamheden waarbij deze motorrijtuigen worden ingezet (artikel 17 van het uitvoeringsbesluit). Als een vuilniswagen wordt verhuurd of geleased door een bedrijf dat niet zelf die werkzaamheden uitvoert, wordt veelal niet aan die eis voldaan, omdat het kenteken op naam van het verhuur- dan wel leasebedrijf is gesteld. Ik keur met toepassing van artikel 63 van de AWR (de hardheidsclausule) onder voorwaarden goed, dat de vrijstelling desondanks van toepassing is op verhuurde of geleasete vuilniswagens. Voor deze goedkeuring gelden de volgende voorwaarden: het motorrijtuig wordt feitelijk gebruikt door een openbaar lichaam of bedrijf zoals bedoeld in artikel 17 van het uitvoeringsbesluit; en de Inspecteur heeft de feitelijke gebruiker aangemerkt als zogenoemde afwijkend houder (artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de wet). Als er geen verzoek om afwijkend houderschap wordt gedaan of de Inspecteur een daartoe strekkend verzoek niet kan inwilligen, is de vrijstelling niet van toepassing en is de verhuurder dan wel het leasebedrijf als houder de belasting verschuldigd. Onder voorwaarden wordt vrijstelling van motorrijtuigenbelasting verleend voor motorrijtuigen die zijn ingericht en uitsluitend worden gebruikt als straatveegwagen (artikel 72, eerste lid, onderdeel h, van de wet, artikel 17 van het uitvoeringsbesluit). De vrijstelling is alleen van toepassing op motorrijtuigen die uitsluitend worden gebruikt voor veegwerkzaamheden op wegen. De techniek heeft echter de methoden van schoonmaken van wegen veranderd. Ik keur met toepassing van artikel 63 van de AWR (de hardheidsclausule) goed, dat ook andere technieken van schoonmaken van wegen onder de vrijstelling kunnen vallen, bijvoorbeeld een zogenaamde zoab-cleaner. Er geldt een vrijstelling van motorrijtuigen die zijn ingericht en uitsluitend worden gebruikt voor het vervoer van zieke of gewonde dieren en die als zodanig uiterlijk herkenbaar zijn (artikel 71, eerste lid, onderdeel c, van de wet). De vrijstelling is dus niet gekoppeld aan het motorrijtuig zelf, maar aan de aard van het gebruik daarvan. Ik keur met toepassing van artikel 63 van de AWR (de hardheidsclausule) goed, dat de vrijstelling voor dierenambulances ook kan worden verleend of gecontinueerd als incidenteel bijvoorbeeld een overleden huisdier of een als gevolg van een aanrijding overleden (wild) dier wordt vervoerd. Ook is het incidenteel vervoeren van zwerfdieren toegestaan. De vrijstelling kan ook worden verleend of gecontinueerd als dierenambulances worden ingezet voor hulp van in nood geraakte dieren, zoals in geval van uitgebroken, beklemde of te water geraakte dieren. In de wet is een vrijstelling van motorrijtuigenbelasting opgenomen voor ambulances die aan bepaalde voorwaarden voldoen (artikel 71, eerste lid, onderdeel a, van de wet en artikel 8 van het uitvoeringsbesluit). De ambulancebranche maakt naast ambulances steeds meer gebruik van andersoortige motorrijtuigen voor het verlenen van spoedeisende medische hulpverlening. Het gaat dan om personenauto's of motoren waarmee medisch personeel naar de plaats van het ongeluk kan rijden of motorrijtuigen van waaruit spoedeisende medische hulpverlening kan worden gecoördineerd. Ik keur in dit verband met toepassing van artikel 63 van de AWR (de hardheidsclausule) het volgende goed. Onder ambulances worden tevens begrepen andere motorrijtuigen, inclusief motorrijwielen, dan ambulances mits deze uitsluitend worden gebruikt voor het verlenen of coördineren van spoedeisende medische hulpverlening. Deze motorrijtuigen moeten daarbij aan de volgende eis voldoen: Het motorrijtuig wordt gebruikt door de regionale Ambulancevoorziening, bedoeld in artikel 4 van de Wet ambulancezorgvoorzieningen of door de noodhulpteams van het Rode Kruis die een convenant hebben afgesloten met de Geneeskundige Hulpverleningsorganisatie in de Regio (GHOR) voor het verlenen van hulp als genoemd in het model Grootschalige Geneeskundige Bijstand. Voor motorrijtuigen die niet uitsluitend worden ingezet voor bovengenoemde taken maar overigens wel voldoen aan de genoemde eis, wordt geen vrijstelling van belasting verleend. Dit geldt ook voor multifunctioneel ingerichte motorrijtuigen die worden ingezet bij rampen en calamiteiten, zoals de zogenoemde geneeskundige (GNK)-voertuigen en commandovoertuigen, die dienen voor het vervoer van mensen en materieel en daarvoor speciaal zijn ingericht. Organisaties die zich richten op het voorkomen van de verdrinkingsdood zetten motorrijtuigen in voor het redden van drenkelingen. Deze motorrijtuigen kwalificeren niet als ambulances. Ik keur met toepassing van artikel 63 van de AWR (de hardheidsclausule) en vooruitlopend op wijziging van de wetgeving goed dat onder ambulances tevens worden begrepen personenauto’s, bestelauto’s, motorrijwielen en vrachtauto’s die worden ingezet door organisaties, die zich richten op het voorkomen van de verdrinkingsdood, voor het redden van drenkelingen. Ik verbind hieraan de volgende cumulatieve voorwaarden. De personenauto, de bestelauto, het motorrijwiel of vrachtauto is ingericht voor de verzorging en/of het vervoer van drenkelingen en is voorzien van: een duidelijk zichtbaar blauw zwaai- of knipperlicht; een tweetonige of drietonige hoorn; binnen de branche voorgeschreven striping; een mobilofoon of vergelijkbare installatie; voorzieningen voor de verzorging en/of het vervoer van drenkelingen. Deze voorzieningen moeten permanent en gebruiksklaar op het motorrijtuig zijn aangebracht. De personenauto, de bestelauto, het motorrijwiel of vrachtauto is geregistreerd op naam van een organisatie die krachtens haar statuten ten doel heeft het voorkomen van de verdrinkingsdood en is aangewezen als hulpverleningsdienst als bedoeld in artikel 1, Regeling optische en geluidssignalen 2009; de personenauto, de bestelauto, het motorrijwiel of vrachtauto wordt nagenoeg uitsluitend gebruikt voor activiteiten gericht op het redden van drenkelingen. De voorwaarden die in artikel 27 van het uitvoeringsbesluit worden gesteld aan het vrijstellingsverzoek zijn van overeenkomstige toepassing. Voor personenauto’s die geheel of nagenoeg geheel (meer dan 90%) zijn bestemd voor taxivervoer of openbaar vervoer geldt een vrijstelling (artikel 72, eerste lid, onderdeel n, van de wet). Met taxivervoer wordt bedoeld het vervoer dat als zodanig in de Wet personenvervoer wordt aangegeven: het personenvervoer met een personenauto tegen betaling, niet zijnde openbaar vervoer (artikel 1, van de Wet personenvervoer). Een van de voorwaarden voor de vrijstelling is een op grond van de Wet personenvervoer afgegeven vergunning. Bepaalde vormen van vervoer van personen die overeenkomsten vertonen met taxivervoer zijn uitgezonderd van de Wp-vergunningplicht (artikel 2, van het Besluit personenvervoer). Het gaat dan bijvoorbeeld om werknemersvervoer, vervoer door onderwijsinstellingen ten behoeve van hun leerlingen, vervoer door tehuizen, verpleeginrichtingen e.d. ten behoeve van hun vaste bewoners en huisartsenvervoer. In beginsel komt een personenauto waarmee dit soort vervoer, waarvoor de vergunningplicht niet geldt, wordt verricht niet voor de vrijstelling in aanmerking. Wanneer echter dit soort vervoer wordt verricht met een auto waarvoor op grond van de Wet personenvervoer een vergunning is afgegeven en de bestuurder (tevens) in dienst is van de Wp-vergunninghouder, staat dit vervoer de vrijstelling niet in de weg, mits ook aan de andere voorwaarden op grond van artikel 23 van het uitvoeringsbesluit is voldaan. De Wet personenvervoer is niet van toepassing op vervoer van personen per auto, anders dan openbaar vervoer, indien de som van de betalingen voor dat vervoer de kosten van de auto en eventuele bijkomende kosten voor dat vervoer niet te boven gaat tenzij het vervoer wordt verricht in de uitoefening van een beroep of bedrijf (art. 2, lid 5, Wet Personenvervoer). Personenauto’s die bijv. worden ingezet voor vrijwilligersvervoer (bijv. buurtbussen voor ouderen) en waarvoor van de klant slechts een kleine bijdrage wordt gevraagd hoeven op grond van de Wet personenvervoer niet te voldoen aan de vergunningplicht. Omdat er geen vergunningplicht is, ontbreekt er voor instellingen die met een of meer personenauto’s dit soort vervoer (tegen betaling) verrichten het recht op vrijstelling van motorrijtuigenbelasting. Ik keur met toepassing van artikel 63 van de AWR (de hardheidsclausule) goed, dat een dergelijke instelling op verzoek toch voor vrijstelling van de motorrijtuigenbelasting in aanmerking komt. Ik stel hierbij de volgende aanvullende voorwaarden. In plaats van de vereiste vergunning c.q. het vergunningsbewijs zoals bedoeld in de Wet personenvervoer, wordt een schriftelijke verklaring van de instelling overgelegd. In deze verklaring is het volgende opgenomen: het vervoer kan als taxivervoer als bedoeld in de Wet personenvervoer worden aangemerkt (artikel 1 van de Wet personenvervoer); het vervoer wordt verricht door vrijwilligers, die daarvoor geen vergoeding ontvangen die als loon in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964 kan worden aangemerkt. De instelling voert een administratie waaruit op eenvoudige wijze de kosten en opbrengsten van dat vervoer kunnen worden opgemaakt. De instelling die dat vervoer verricht, is zowel rechtspersoon als ondernemer in de zin van de Wet OB en is als zodanig bekend bij de Belastingdienst. Vóórdat met de auto de weg wordt gebruikt, is de instelling voor die auto in het bezit van een beschikking van de inspecteur waarmee de vrijstelling wordt verleend. De inspecteur verleent deze beschikking per auto en voor een kalenderjaar of zoveel korter als de instelling in dat jaar houder is. Om de vrijstelling te verlengen moet de instelling aan de inspecteur schriftelijk verklaren dat de betreffende auto nog voor de vrijstelling in aanmerking komt. De instelling voldoet de belasting op aangifte als het vervoer niet (meer) voldoet aan het hiervoor onder de onderdelen 1a en 1b gestelde, of op andere gronden niet meer in aanmerking voor vrijstelling komt. Er geldt een vrijstelling voor autobussen die 40 jaar of ouder zijn. Daarnaast is voor autobussen met een datum eerste toelating van vóór 1 januari 1988, maar die nog geen 40 jaar oud zijn een overgangsregeling van toepassing. Onder voorwaarden is dan een kwart van het gewone tarief verschuldigd met een maximum genoemd in artikel 84a, tweede lid, van de wet. Voor autobussen geldt, zowel voor de vrijstelling van 40 jaar en ouder als voor de groep die in aanmerking komt voor de overgangsregeling, de voorwaarde, dat het motorrijtuig niet bedrijfsmatig wordt gebruikt (artikel 72, eerste lid, aanhef en onderdeel b, en artikel 84a, derde lid, onderdeel d, van de wet). Ik keur met toepassing van artikel 63 van de AWR (de hardheidsclausule) onder de volgende cumulatieve voorwaarden goed, dat de vrijstelling en de overgangsregeling voor oldtimers mede wordt toegepast wanneer een autobus uit een museum als onderdeel van een verzameling wordt verhuurd. Voor deze goedkeuring gelden de volgende voorwaarden: het incidenteel vervoer van personen tegen betaling voldoet aan de beperkingen zoals genoemd in artikel 2, onderdeel g, van het Besluit personenvervoer; de opbrengst komt ten goede aan de instandhouding van de verzameling; en wanneer de overgangsregeling van toepassing is mag met de autobus geen gebruik van de weg worden gemaakt in de maanden december, januari en februari. Het incidenteel vervoeren van personen tegen betaling moet blijken uit de op grond van het Besluit personenvervoer afgegeven vergunning en de administratie van de houder. De daarin genoemde beperking behelst dat het vervoer met vervoermiddelen die in gebruik zijn als onderdeel van een historische verzameling, niet commercieel van aard is dan wel een geringe weerslag heeft op de vervoersmarkt. De aanwending van de opbrengst moet blijken uit de administratie van de houder. Het museum moet vooraf een verzoek om vrijstelling indienen bij de inspecteur (artikel 27 van het uitvoeringsbesluit). Bij het verzoek moet een afschrift worden overgelegd van de notariële stichtings- c.q. verenigingsakte met de statuten, waaruit de doelstelling blijkt. In de wet is een vrijstelling van mrb opgenomen voor motorrijtuigen die zijn ingericht en uitsluitend worden gebruikt voor het vervoer van een stoffelijk overschot (artikel 71, eerste lid, onderdeel b, van de wet en artikel 9 van het uitvoeringsbesluit). In de praktijk doet zich incidenteel de situatie voor dat de lijkauto voor andere binnen de uitvaartbranche voorkomende doeleinden dan het vervoer van een stoffelijk overschot wordt gebruikt. Bijvoorbeeld als de uitvaartondernemer een stoffelijk overschot van een ziekenhuis naar een rouwcentrum brengt en vervolgens op de terugweg langs de woning rijdt om een uitvaart te regelen. Ik keur met toepassing van artikel 63 van de AWR (de hardheidsclausule) goed dat de vrijstelling ook van toepassing is als de lijkauto incidenteel wordt gebruikt voor andere doeleinden in het kader van de uitvaartonderneming. Het transitokenteken is een kenteken dat maximaal 14 dagen geldig is en biedt de oplossing voor het tijdelijke vervoer over de weg van ongekentekende of in het buitenland gekentekende motorrijtuigen. Met dit kenteken kunnen kentekenplichtige motorrijtuigen legaal over de weg door Nederland gereden worden. Nadat een motorrijtuig bij de RDW is aangemeld voor export, wordt deze uit het Nederlands kentekenregister geschreven en is deze niet langer tenaamgesteld. Vanaf dat moment mag gedurende 14 dagen met gebruikmaking van een exportkenteken over de openbare weg worden gereden om het motorrijtuig over te brengen naar het buitenland. Ik keur met toepassing van artikel 63 van de AWR (de hardheidsclausule) goed, dat van deze tijdelijke kentekens geen motorrijtuigenbelasting wordt geheven. Het uitvoeringsbesluit kent een aantal vrijstellingsregelingen voor het gebruik van een motorrijtuig met buitenlands kenteken door een Nederlands ingezetene. De vrijstellingen van de artikelen 25 (buitenlandse werkgever) en artikel 26 (buitenlands bedrijf) worden bij beschikking verleend en zijn persoons- en motorrijtuiggebonden. Een dergelijke beschikking is niet verplicht maar geeft belanghebbende zekerheid vooraf. Als de omstandigheden waarvoor de vrijstelling is verleend wijzigen, is de beschikking niet langer geldig. Dergelijke wijzigingen moeten worden doorgegeven aan de inspecteur, wat ook in de bijlage bij de beschikking staat vermeld. Het kan bijvoorbeeld gaan om vervanging van het motorrijtuig waarvoor de vrijstelling is verleend door een ander niet in Nederland geregistreerd motorrijtuig. Het niet hebben van een (geldige) beschikking betekent niet zonder meer dat er verschuldigdheid van mrb ontstaat als er gebruik gemaakt wordt van een motorrijtuig met een buitenlands kenteken. De inspecteur zal altijd eerst moeten onderzoeken of er in materiële zin recht op de vrijstelling bestaat. Een beschikking kan niet worden geweigerd om de enkele reden dat niet is voldaan aan een formele voorwaarde (bijvoorbeeld het aanvragen van de beschikking voor aanvang van het gebruik van de weg). Onder voorwaarden wordt een vrijstelling van mrb verleend voor motorrijtuigen die uitsluitend worden gebruikt door de politie of de brandweer op grond van artikel 72, lid 1, onderdelen c en d van de wet en artikel 14, leden 1 en 2 van het uitvoeringsbesluit. Voor de toepassing van de vrijstelling geldt dat het motorrijtuig moet staan geregistreerd op naam van een politie- of brandweer-instantie (artikel 14 uitvoeringsbesluit). Het komt voor dat een motorrijtuig uitsluitend wordt gebruikt door een politie- of brandweer-instantie, maar niet staat geregistreerd op naam van de politie of brandweer in het kentekenregister. Dit kan voorkomen als bijvoorbeeld motorrijtuigen worden geleased (of gehuurd). In dat geval wordt niet aan de voorwaarden voor toepassing van de vrijstelling voldaan. Dit acht ik onwenselijk in die gevallen dat de politie- of brandweer-instantie als (afwijkend) houder van het motorrijtuig staat geregistreerd. Om die reden keur ik het volgende goed. Ik keur op basis van een redelijke wetstoepassing goed dat de vrijstelling van toepassing is voor zover een politie-instantie of brandweer-instantie (afwijkend) houder is van het motorrijtuig. De politie- of brandweer-instantie dient gezamenlijk met de kentekenhouder een verzoek om afwijkend houderschap (artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de wet) in bij de inspecteur; Aan de overige voorwaarden voor de vrijstelling dient te worden voldaan.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel