Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2

Artikel 5

Handhavingstraject

Onderdeel van Beleidsregel handhaving Wet kinderopvang BES· Arbeidsrecht en sociaal-zekerheidsrecht

Deze tekst geldt sinds 1 januari 2026

1. Indien gebleken is dat een houder van een kindercentrum of een voorziening voor gastouderopvang niet voldoet aan één of meer eisen van de Wet kinderopvang BES en alle onderliggende regelgeving, de houder daarvoor een herstelopdracht vanuit de toezichthouders heeft ontvangen en die herstelopdracht niet binnen de geboden termijn volledig heeft hersteld, kan de Staatssecretaris een handhavingstraject starten. Dit traject is gericht op beëindiging van de overtreding(-en) en op voorkoming van herhaling van de overtreding(-en). 2. Bij het uitvoeren van een handhavingstraject kan de Staatssecretaris de volgende trajecten inzetten: het opleggen van een last onder dwangsom als bedoeld in artikel 5.6 van de Wet kinderopvang BES; het opleggen van een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 5.7 van de Wet kinderopvang BES; het opleggen van een gehele of gedeeltelijke sluiting gedurende een door de Staatssecretaris te bepalen periode als bedoeld in artikel 5.10 van de Wet kinderopvang BES; het adviseren aan het Openbaar Lichaam tot het intrekken van de toestemming tot exploitatie als bedoeld in artikel 5.11 van de Wet kinderopvang BES. Aan last onder dwangsom gaat een voornemen tot het opleggen van deze last vooraf. Dit is in reguliere handhavingssituaties het geval. Als er sprake is van spoed wordt direct overgegaan tot het opleggen van de definitieve last. 3. Indien de aard van de overtreding hiertoe aanleiding geeft, kan de Staatssecretaris besluiten om een bepaald traject meerdere keren toe te passen.

Rechtspraak bij dit artikel