Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 10 › § 10.1

Artikel 10.1

toezicht college en Autoriteit Consument en Markt

Onderdeel van Wet collectieve warmte· Ondernemingspraktijk

1. Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens de artikelen 1.2, tweede tot en met vierde lid, 2.3, 2.11, 2.13, 2.14, 2.15, 2.17 tot en met 2.21, 2.23 tot en met 2.32, 2.34, eerste en derde lid, 2.36 tot en met 2.44, 2.46, 2.47, 2.49, 2.50, onderdeel b, 3.7 tot en met 3.10, 3.13, onderdeel b, 4.6, 5.6, 5.7 tot en met 5.18, 6.1 tot en met 6.2, 6.5, 6.7, 6.10 tot en met 6.13, 6.15, 6.16, onderdeel a, 7.1, 7.8, 7.10, tweede en derde lid, 7.12 tot en met 7.14, 7.16, 7.18, derde tot en met vijfde lid, 7.21, tweede lid, 7.22, 7.28, tweede lid, 7.31, derde tot en met vijfde lid, 7.34, 7.35, 7.36, 7.38, 10.2, eerste lid, 10.5 tot en met 10.9, 11, 13.7, 13.9, 13.10, tweede tot en met vijfde lid, 12.14, tweede lid, 13.17 en 13.19, onderdeel b, bepaalde zijn belast de daartoe bij besluit van de Autoriteit Consument en Markt aangewezen personen. 2. Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens de artikelen 1.2, eerste lid, 2.13, achtste lid, 2.16, 2.45, 2.50, onderdeel a, 3.1, 3.2, 3.12, 3.13, onderdeel a, 4.1, 4.3, 4.5, 4.7, 9.1, derde lid, onderdeel b, 10.2, tweede lid, 13.4, 13.8, 13.10, 13.13 en 13.19, onderdeel a, bepaalde zijn belast de daartoe bij besluit van het college aangewezen personen. 3. Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens artikel 6.14 bepaalde zijn belast de daartoe bij besluit van Onze Minister aangewezen personen. 4. Van een besluit als bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant. 5. Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de wijze van taakuitoefening door de personen, bedoeld in het eerste lid en tweede lid.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel