Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 13 › § 13.2 › § 13.2.1

Artikel 13.2

aanwijzing bestaande warmtebedrijven voor een warmtekavel

Onderdeel van Wet collectieve warmte· Ondernemingspraktijk

1. Indien op het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel een overeenkomst geldt waarin een gemeente een warmtebedrijf voor een gebied het recht heeft gegeven of de verplichting heeft opgelegd warmte te transporteren en te leveren aan verbruikers, een collectieve warmtevoorziening te exploiteren of verbruikers aan te sluiten op een collectieve warmtevoorziening, verleent het college binnen een jaar na inwerkingtreding van dit artikel een aanwijzing voor dit gebied. 2. Indien op het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel een warmtebedrijf warmte transporteert of levert in een gebied terwijl een overeenkomst als bedoeld in het eerste lid ontbreekt, verleent het college binnen een jaar na inwerkingtreding van dit artikel het warmtebedrijf een aanwijzing voor dit gebied. 3. Indien op het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel een overeenkomst als bedoeld in het eerste lid ontbreekt en een warmtebedrijf transporteert en levert op dat tijdstip nog geen warmte in een gebied maar het college heeft wel een of meer besluiten genomen op basis waarvan een warmtenet in dat gebied mag worden aangelegd, verleent het college het warmtebedrijf binnen een jaar na inwerkingtreding van dit artikel een aanwijzing voor dit gebied voor zover de besluiten betrekking hebben op één collectief warmtesysteem. 4. Indien op het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel een overeenkomst als bedoeld in het eerste lid ontbreekt en een warmtebedrijf transporteert en levert op dat tijdstip nog geen warmte in een gebied maar het college heeft wel voor dat tijdstip een aankondiging van een overheidsopdracht gedaan waarin een gemeente een warmtebedrijf voor een gebied aangeeft een recht te willen geven of de verplichting op te willen leggen warmte te transporteren en te leveren aan verbruikers, een collectieve warmtevoorziening te exploiteren of verbruikers aan te sluiten op een collectieve warmtevoorziening, waarvan de termijn voor het indienen van inschrijvingen op het moment van inwerkingtreding van dit artikel is verstreken en op grond waarvan het college een met de gunningsbeslissing beoogde overeenkomst sluit, verleent het college dat warmtebedrijf een aanwijzing voor het gebied waarvoor de overeenkomst geldt, indien: de gunningsbeslissing is genomen binnen zes maanden na inwerkingtreding van dit artikel, en de overeenkomst binnen negen maanden na inwerkingtreding van dit artikel wordt ondertekend. 5. Indien op het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel een overeenkomst als bedoeld in het eerste lid ontbreekt en een warmtebedrijf transporteert en levert op dat tijdstip nog geen warmte in een gebied maar het warmtebedrijf heeft wel een aansluitovereenkomst gesloten, verleent het college het warmtebedrijf een aanwijzing binnen een jaar na inwerkingtreding van dit artikel voor het gebied waarvoor de aansluitovereenkomst geldt of de aansluitovereenkomsten gelden voor zover deze aansluitovereenkomsten betrekking hebben op één collectief warmtesysteem. 6. Onder een aansluitovereenkomst als bedoeld in het vijfde lid wordt een overeenkomst verstaan die: een warmtebedrijf een recht en een plicht geeft de in de overeenkomst genoemde gebouwen of delen van gebouwen binnen vijf jaar na inwerkingtreding van dit artikel aan te sluiten op een collectieve warmtevoorziening; bindende financiële voorwaarden over de kosten van de aansluiting van deze gebouwen of delen van gebouwen op een collectieve warmtevoorziening bevat, en waarin een termijn is bepaald wanneer de levering van warmte aanvangt met enkel onvoorzienbare omstandigheden of van derden afhankelijke omstandigheden als ontbindende voorwaarde. 7. Het gebied, bedoeld in het eerste tot en met vijfde lid, wordt aangemerkt als warmtekavel met dien verstande dat het warmtekavel niet aaneengesloten hoeft te zijn. 8. De overeenkomst, bedoeld in het eerste lid, voor zover deze overeenkomst het warmtebedrijf een recht of verplichting als bedoeld in het eerste lid, geeft, komt te vervallen op het moment dat het college een aanwijzing op grond van het eerste lid heeft verleend. 9. Voor de toepassing van het tweede lid geldt in afwijking van de definitie van warmtebedrijf in artikel 1.1 dat een warmtebedrijf zich bezig houdt of voornemens is zich bezig te houden met het transport of de levering van warmte. 10. Het tweede lid is niet van toepassing op het transport van warmte, bedoeld in artikel 13.10, tweede lid. 11. Dit artikel is niet van toepassing op de levering van warmte door een warmtebedrijf met een klein collectief warmtesysteem, bedoeld in artikel 13.12, eerste lid.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel