Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2 › § 2.3

Artikel 2.11

overdracht doorslaggevende zeggenschap

Onderdeel van Wet collectieve warmte· Ondernemingspraktijk

1. Een wijziging van de doorslaggevende zeggenschap in een aangewezen warmtebedrijf behoeft instemming van Onze Minister. 2. De doorslaggevende zeggenschap in een aangewezen warmtebedrijf kan alleen gewijzigd worden indien door deze wijziging deze zeggenschap direct of indirect komt te berusten of blijft berusten bij de Staat der Nederlanden, een provincie, gemeente of ander openbaar lichaam. 3. Het tweede lid is tot tien jaar na inwerkingtreding van dit artikel niet van toepassing als de Staat der Nederlanden, een provincie, gemeente of ander openbaar lichaam niet binnen een door Onze Minister bij ministeriële regeling te bepalen termijn kenbaar heeft gemaakt de doorslaggevende zeggenschap direct of indirect in het aangewezen warmtebedrijf over te willen nemen. 4. Alvorens het aangewezen warmtebedrijf een aanvraag om een instemming als bedoeld in het eerste lid indient, dient dit warmtebedrijf een aanvraag in bij de Autoriteit Consument en Markt waarin de Autoriteit Consument en Markt verzocht wordt bij besluit vast te stellen of het warmtebedrijf na wijziging van de doorslaggevende zeggenschap: voldoende beschikt over de organisatorische en technische bekwaamheid noodzakelijk voor de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 2.13, voor zijn warmtekavels; voldoende financieel in staat is de taken, bedoeld in artikel 2.13, voor zijn warmtekavels uit te voeren. 5. De Autoriteit Consument en Markt kan aan het besluit op grond van het vierde lid voorschriften en beperkingen verbinden. 6. Bij een aanvraag om instemming overlegt het aangewezen warmtebedrijf in ieder geval het besluit, bedoeld in het vierde lid, waarin de Autoriteit Consument en Markt heeft vastgesteld dat het warmtebedrijf na wijziging van de doorslaggevende zeggenschap, bedoeld in het eerste lid, voldoet aan de gronden, genoemd in het vierde lid, onderdelen a en b. 7. Onze Minister beslist uitsluitend afwijzend op een aanvraag om instemming indien niet voldaan is aan het tweede lid onverminderd het bepaalde in het derde lid. 8. Rechtshandelingen verricht in strijd met het eerste en tweede lid zijn vernietigbaar. 9. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over: de omstandigheden waarin er sprake is van directe of indirecte overdracht van de doorslaggevende zeggenschap; de wijze waarop de aanvraag om instemming wordt ingediend, de bij de aanvraag om instemming te verstrekken gegevens en bescheiden en de termijn waarbinnen Onze Minister een besluit neemt; de wijze waarop de aanvraag om een besluit als bedoeld in het vierde lid wordt ingediend, de bij de aanvraag om dat besluit te verstrekken gegevens en bescheiden en de termijn waarbinnen de Autoriteit Consument en Markt een besluit neemt; de gronden, genoemd in het vierde lid. 10. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over: de voorschriften en beperkingen, bedoeld in het vijfde lid; de afwijzingsgrond, genoemd in het zevende lid.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel