Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2 › § 2.5 › § 2.5.8

Artikel 2.42

warmtemeter, warmtekostenverdeler en verbruiksonafhankelijke warmtekostenverdeelsystematiek

Onderdeel van Wet collectieve warmte· Ondernemingspraktijk

1. Een aangewezen warmtebedrijf installeert een warmtemeter bij een leveringsaansluiting waar dat technisch haalbaar en kostenefficiënt is. 2. De installatie van een warmtemeter is in ieder geval technisch haalbaar en kostenefficiënt indien: een bestaande warmtemeter wordt vervangen; een nieuwe leveringsaansluiting wordt gemaakt in een nieuw gebouw; een gebouw ingrijpend wordt gerenoveerd. 3. Indien de installatie van een warmtemeter technisch niet haalbaar of niet kostenefficiënt is, installeert een aangewezen warmtebedrijf een warmtekostenverdeler waar dat kostenefficiënt is. 4. Een aangewezen warmtebedrijf hanteert een verbruiksonafhankelijke warmtekostenverdeelsystematiek indien de installatie van een warmtekostenverdeler niet kostenefficiënt is. 5. De verbruiksonafhankelijke warmtekostenverdeelsystematiek gaat uit van een binnen de technische en financiële mogelijkheden zo nauwkeurig mogelijke benadering van het werkelijke aandeel in het totaal gemeten verbruik van een afzonderlijke verbruiker. 6. De warmtekostenverdeler, de verbruiksonafhankelijke warmtekostenverdeelsystematiek en andere technische voorzieningen voor benadering, meting of registratie van het aandeel van een afzonderlijke verbruiker in het totale verbruik, worden aan de hand van daarvoor gangbare technische normen geïnstalleerd en toegepast. 7. Indien een onroerende zaak, die is gebouwd voor 1 juli 2019, bestaat uit meerdere verblijfsruimten kan een aangewezen warmtebedrijf het individueel gemeten warmtegebruik van de verbruiker door middel van een warmtemeter, warmtekostenverdeler of een verbruiksonafhankelijke warmtekostenverdeelsystematiek corrigeren aan de hand van correctiefactoren die door het aangewezen warmtebedrijf zijn vastgesteld met in acht name van de daarvoor gangbare technische normen voor: de ligging van verblijfswoonruimten; leidingverliezen voor transportleidingen. 8. Het eerste tot en met zevende lid zijn niet van toepassing op warmte die door apparatuur van de verbruiker wordt opgewaardeerd tot een temperatuur die geschikt is voor ruimteverwarming en verwarming van tapwater en waarbij in de leveringsovereenkomst is bepaald dat deze apparatuur bij de binneninstallatie hoort. Het warmtebedrijf plaatst een meter voor het punt waar de warmte wordt overgedragen op de apparatuur van de verbruiker waarmee kan worden vastgesteld of is voldaan aan artikel 2.18, tweede lid, onderdelen a en b. 9. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de wijze waarop wordt bepaald: in welke andere situaties de installatie van een warmtemeter technisch haalbaar of kostenefficiënt is; in welke situaties de installatie van een warmtekostenverdeler kostenefficiënt is; de technische eisen waaraan een meter als bedoeld in achtste lid moet voldoen. 10. Een aangewezen warmtebedrijf geeft een afzonderlijke verbruiker of diens gemachtigde inzicht in de meetgegevens, de correctiefactor en de berekening van het aandeel van de afzonderlijke verbruiker in het totale verbruik, zoals vastgesteld op grond van het vijfde tot en met zevende lid en van de toerekening van de kosten op grond van artikel 2.41, tweede lid.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel