Een kliniek voor forensische psychiatrie biedt patiënten als onderdeel van hun behandelplan wekelijkse blokken aan op het gebied van dagbesteding, opleiding of werk. Deelname is niet verplicht. Wel ontvangen de patiënten voor deelname een vergoeding van drie euro per blok. In de praktijk is de vraag opgekomen of deze vergoeding als een werkzaamheid in de zin van artikel 3.90 Wet IB 2001 kan worden beschouwd. Deze vergoeding vormt geen bron van inkomen. De werkzaamheden liggen namelijk in de persoonlijke sfeer en de vergoeding is van ondergeschikt belang. De deelname wordt overwegend gemotiveerd vanuit een klinisch behandelplan.
In de praktijk is de vraag opgekomen of vergoedingen die door een bestuursorgaan worden betaald aan particulieren niet zijnde ondernemers of resultaatgenieters, bijvoorbeeld een dwangsom door het niet (tijdig) beslissen op een bezwaarschrift, als een afzonderlijke werkzaamheid in de zin van artikel 3.90 Wet IB 2001 kan worden gezien. Dit is doorgaans niet het geval, omdat in de regel geen sprake is van een bron van inkomen. Van een afzonderlijke werkzaamheid kan in het uitzonderlijke geval bijvoorbeeld wel sprake zijn als aannemelijk is dat een belanghebbende met als enige doel het verkrijgen van dwangsommen veelvuldig bezwaren en verzoeken indient bij bestuursorganen.
In de praktijk is de vraag opgekomen of er sprake kan zijn van negatief ROW in het geval van al ontvangen bedragen die als ROW zijn aangemerkt, dienen te worden terugbetaald. Er moet in zo’n geval sprake zijn van een terugbetalingsverplichting. Er kan slechts sprake kan zijn van negatief ROW voor zover de al ontvangen bedragen tot een positief bedrag in de heffing zijn betrokken.
Een stichting brengt logeerouders samen met kinderen met een hulpvraag, met als doel dat de kinderen af en toe kunnen logeren in het logeergezin. De logeerouders ontvangen een bepaalde dagelijkse vergoeding. In de praktijk is de vraag opgekomen of deze vergoeding als een werkzaamheid in de zin van artikel 3.90 Wet IB 2001 kan worden beschouwd.
Hoewel de beoordeling altijd afhankelijk is van de specifieke feiten en omstandigheden, is het aannemelijk dat in dergelijke gevallen de vergoeding binnen de persoonlijke sfeer ligt. Het is aannemelijk dat de logeerouders deelnemen vanuit persoonlijke, ideële overwegingen, te weten het bieden van een logeerplek voor kinderen met een hulpvraag door tussenkomst van de stichting. Dit wordt bevestigd indien de vergoeding enkel voldoende is om (een deel van) de kosten te dekken. In dergelijke gevallen vormt de vergoeding geen bron van inkomen.
In de praktijk zijn er mensen en organisaties die online content aanbieden en via een donatiemodel geld inzamelen. De werkzaamheden in het kader waarvan de donaties worden ontvangen, kunnen een bron van inkomen vormen als aan de volgende drie voorwaarden wordt voldaan:
deelname aan het economische verkeer
Het is aannemelijk dat door het openstellen van een eigen kanaal op sociale media en het daarbij actief werven van bijdragen om een volgende uitzending mogelijk te maken (bijvoorbeeld door middel van een duidelijk zichtbare betaalknop), sprake is van een activiteit die gericht is op deelname aan het economisch verkeer.
het (subjectieve) oogmerk voordeel te behalen; en
Uit het aangaan van overeenkomsten met platforms of serviceproviders die het mogelijk maken om bedragen te ontvangen voor, via of door middel van de uitingen op socialemediakanalen, vloeit voort dat de activiteit gericht is op het behalen van opbrengsten.
de (objectieve) verwachting dat het voordeel redelijkerwijs kan worden behaald.
De vraag of sprake is van een objectieve voordeelsverwachting moet – in principe – beantwoord worden op basis van de feiten en omstandigheden van dat jaar. Wanneer bij aanvang de verwachting is dat de kosten de baten overtreffen, is geen sprake van een bron van inkomen. Als echter (later) blijkt dat de opbrengsten hoger zijn dan de kosten is alsnog sprake van een bron van inkomen.
De beoordeling of in een individueel geval aan deze drie voorwaarden is voldaan, en de vervolgvraag of er sprake is van ROW of winst uit onderneming, is in eerste instantie voorbehouden aan de inspecteur en kan bij verschil van inzicht ook getoetst worden door de rechter.
De Hoge Raad heeft in een arrest uit 20146HR 14 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3209. geoordeeld dat in de beoordeling of een organisatie van arbeid en kapitaal kan worden aangemerkt als een onderneming als bedoeld in artikel 3.2 Wet IB 2001, mede dient te worden betrokken de rente en kosten op geldleningen die zijn aangegaan ter financiering van die organisatie. Tot de organisatie hoort namelijk mede het in de vorm van vreemd vermogen werkzame kapitaal. De vraag komt op of de overwegingen van de Hoge Raad van toepassing zijn op de beoordeling van de vraag of de bron kwalificeert als ROW.
Het antwoord op deze vraag is afhankelijk van de feiten en omstandigheden van het geval. Lucratief belang in de zin van artikel 3.92b Wet IB 2001 en het ter beschikkingstellen van vermogen in de zin van de artikelen 3.91 en art. 3.92 Wet IB 2001 zijn door wetsfictie gedefinieerd als resultaat. Voor deze vormen van inkomen is daarom in ieder geval de toets aan de bronvoorwaarden niet relevant.
De rente en kosten van de financiering van een vermogensbestanddeel is wel relevant indien het gaat om artikel 3.90 Wet IB 2001 en ook bij artikel 3.91, eerste lid, onderdeel c, Wet IB 2001. Indien in dergelijke gevallen de kapitaalcomponent naast arbeid een wezenlijk onderdeel vormt van de bron, dienen de financieringskosten bij de bronbeoordeling in aanmerking te worden genomen.
Voorbeeld 1:
X geeft bijles en schaft daarvoor een laptop aan. X leent hiervoor geld bij de bank. De financieringskosten van deze laptop worden niet meegenomen bij de bronbeoordeling. De arbeid staat voorop en er is sprake van een bron (dienst in het economisch verkeer).
Voorbeeld 2:
X koopt een pand met het doel om het daarna weer met winst door te verkopen. X leent hiervoor geld bij de bank. De financieringskosten worden meegenomen in de bronbeoordeling, want het pand vormt een wezenlijk onderdeel van de bron.