Naar hoofdinhoud

Artikel 5

Meten en regelen van de systeemverbinding

Onderdeel van Systeemkoppelingscode gas TSB en DSB· Contracten, schade en aansprakelijkheid

Deze tekst geldt sinds 21 februari 2026

De metingen in de systeemverbinding geschieden door de transmissiesysteembeheerder conform de Meetcode Gas LNB. Indien de distributiesysteembeheerder meer metingen in de systeemverbinding wenst dan opgenomen in de Meetcode Gas LNB, zal de transmissiesysteembeheerder, indien en voor zover redelijkerwijs mogelijk, aan dit verzoek voldoen. De transmissiesysteembeheerder en de distributiesysteembeheerder kunnen nadere financiële en operationele voorwaarden overeenkomen die verband houden met die meerdere metingen. Een minimum meetcapaciteit, dit is de capaciteit waarbij de ondergrens van het meetbereik van de meet- en regelinrichting wordt bereikt, wordt vastgelegd op basis van de door de distributiesysteembeheerder aan de transmissiesysteembeheerder verstrekte gegevens. Indien de distributiesysteembeheerder wijziging verlangt van de vastgelegde minimum meetcapaciteit, zal hij hierover tijdig met de transmissiesysteembeheerder in overleg treden. Op basis van de door distributiesysteembeheerder verstrekte gegevens, doet de transmissiesysteembeheerder onderzoek naar de mogelijkheden om de gewenste minimum meetcapaciteit te realiseren. Een gewijzigde minimum meetcapaciteit wordt door de transmissiesysteembeheerder en de distributiesysteembeheerder vastgelegd. De transmissiesysteembeheerder en de distributiesysteembeheerder kunnen nadere financiële voorwaarden overeenkomen die verband houden met die gewijzigde minimum meetcapaciteit. De distributiesysteembeheerder zal zich naar beste vermogen inspannen om te zorgen dat de overeengekomen minimum meetcapaciteit niet structureel en/of planmatig zal komen te liggen in het capaciteitsgebied tussen nul en de minimum meetcapaciteit en zodanige maatregelen te nemen opdat een goede inzet van de meet- en regelinrichting wordt gewaarborgd. De distributiesysteembeheerder is verplicht om de transmissiesysteembeheerder, indien zich een situatie van een dergelijke onderschrijding voordoet of kan voordoen, te informeren, voor zover mogelijk tijdig voorafgaand aan die situatie, en de door de transmissiesysteembeheerder ter zake gegeven aanwijzingen op te volgen. Voorts is de distributiesysteembeheerder verplicht, indien en voor zover hij structureel en/of planmatig de overeengekomen minimum meetcapaciteit onderschrijdt, met de transmissiesysteembeheerder in overleg te treden over een lagere minimum meetcapaciteit. Op basis van de door desbetreffende distributiesysteembeheerder verstrekte gegevens, doet de transmissiesysteembeheerder onderzoek naar de mogelijkheden om een lagere minimum meetcapaciteit te realiseren. Een gewijzigde minimum meetcapaciteit wordt door de transmissiesysteembeheerder en de distributiesysteembeheerder vastgelegd. De transmissiesysteembeheerder kan met de distributiesysteembeheerder nadere financiële voorwaarden overeenkomen die verband houden met die gewijzigde minimum meetcapaciteit. Indien de distributiesysteembeheerder gegronde redenen heeft om aan te nemen dat de meet- en regelinrichting niet correct functioneert of een afwijking vertoont, zal de transmissiesysteembeheerder de meet- en regelinrichting controleren en zonodig handelend optreden (justeren) volgens het bepaalde in de Meetcode Gas LNB. De kosten hiervan komen voor rekening van de transmissiesysteembeheerder, tenzij een eventueel geconstateerde onnauwkeurigheid de toegestane afwijkingen, zoals gedefinieerd in de Meetcode Gas LNB, niet overschrijdt, in welk geval de kosten voor rekening van de distributiesysteembeheerder komen. Indien wordt vastgesteld dat de meet- en regelinrichting niet correct functioneert, maar het tijdstip waarop dit niet-correct functioneren is begonnen niet kan worden bepaald, wordt het niet-correct functioneren geacht te zijn begonnen halverwege de datum waarop het niet-correct functioneren is vastgesteld en de datum van de laatste onbetwiste controle van de meet- en regelinrichting. De datum waarop het niet-correct functioneren is vastgesteld, wordt geacht te zijn de datum waarop de controle is uitgevoerd die het niet-correct functioneren volgens artikel 5.5 aantoonde. De door de meet- en regelinrichting gemaakte fout gedurende de periode tussen de datum waarop het niet-correct functioneren is begonnen, dan wel wordt geacht te zijn begonnen, en de datum waarop de meter weer naar behoren functioneert, zal in overleg met de distributiesysteembeheerder door de transmissiesysteembeheerder worden geschat. Correctie vindt evenwel slechts plaats binnen de termijnen zoals genoemd in de artikelen 2.4.1, 2.5.1 en 2.6.1 van de Allocatiecode systeembeheerders gas. De distributiesysteembeheerder aan wiens systeem gekoppeld wordt, bepaalt – zo nodig na overleg met de distributiesysteembeheerder die de systeemkoppeling aanvraagt – op welke wijze (bijv. druktrap, één of meer verbindingen) en op welk punt in het distributiesysteem de gevraagde capaciteit ter beschikking wordt gesteld. Ieder distributiesysteembeheerder brengt aan eigen zijde van het overdrachtspunt de noodzakelijke hulpmiddelen of appendages aan. De distributiesysteembeheerder houdt de systeemkoppeling aan eigen zijde van het overdrachtspunt in stand en is verantwoordelijk voor het onderhoud en de controle ervan. De distributiesysteembeheerders komen in voorkomend geval tot afspraken over uitbreiden, wijzigen, vervangen, verplaatsen of weggenemen van de systeemkoppeling. De distributiesysteembeheerders maken het gezamenlijk mogelijk dat alle handelingen kunnen worden verricht die hiervoor noodzakelijk zijn. Distributiesysteembeheerders maken onderling afspraken over het waarborgen van het samenhangend functioneren van de gekoppelde distributiesystemen voor gas en de uitvoering van de allocatie. De distributiesysteembeheerders voor gas bepalen in onderling overleg op welke wijze toegang tot elkaars terrein of installatie geregeld wordt. De systeemkoppeling van twee distributiesystemen voor gas van verschillende distributiesysteembeheerders is op het overdrachtspunt voorzien van een comptabele meetinrichting die voldoet aan het gestelde in hoofdstuk 2 van de “Meetcode gas RNB”. De comptabel te meten grootheden worden vastgelegd in de overeenkomst tussen de distributiesysteembeheerders. De comptabele meting vindt plaats op of bij het overdrachtspunt. Calorische correcties en/of eventuele andere bewerkingen van de gegevens die noodzakelijk zijn om de meetgegevens tot comptabele meetgegevens te maken, hoeven niet op de aansluiting zelf te worden uitgevoerd. Bij onderlinge koppeling van distributiesystemen voor gas stellen de distributiesysteembeheerders na onderling overleg de toe te passen beveiligingsconcepten vast. De onderlinge koppeling van distributiesystemen voor gas is in ieder geval voorzien van een beveiliging waarmee de toevoer van het ene distributiesysteem voor gas naar het andere vice versa in geval van calamiteiten kan worden afgesloten. De eventuele kathodische beschermingen van onderling gekoppelde distributiesystemen voor gas dienen onderling elektrisch geïsoleerd te kunnen worden. Instellingen van de beveiligingen, het type beveiliging en de inschakelvoorwaarden worden in de systeemkoppelingsovereenkomst vastgelegd. Leidingen en appendages ten behoeve van de aansluiting en de systeemkoppeling tussen twee distributiesystemen voor gas voldoen bij realisatie aan de volgende vigerende technische normen: NEN 1059: “Nederlandse editie op basis van NEN-EN 12186 en NEN-EN 12279 – Gasvoorzieningssystemen – Gasdrukregelstations voor transport en distributie”; NEN-EN 1594:2009 “Gasvoorziening – Leidingsystemen voor maximale bedrijfsdruk groter dan 16 bar – Functionele eisen”; NEN 3650-1: “Eisen voor buisleidingsystemen – Deel 1: Algemeen”; NEN 3650-2: “Eisen voor buisleidingsystemen – Deel 2: Staal”; NEN 3650-3: “Eisen voor buisleidingsystemen – Deel 3: Kunststoffen”; NEN 3650-4: “Eisen voor buisleidingsystemen – Deel 4: Beton”; NEN 3650-5: “Eisen voor buisleidingsystemen – Deel 5: Gietijzer”; NEN 7244-1: “Nederlandse editie op basis van NEN-EN 12007-1 – Gasvoorzieningsystemen – Leidingen voor maximale druk tot en met 16 bar – Deel 1: Algemene functionele aanbevelingen”; NEN 7244-2: “Nederlandse editie op basis van NEN-EN 12007-2 – Gasvoorzieningsystemen – Leidingen voor maximale druk tot en met 16 bar – Deel 2: Specifieke functionele aanbevelingen voor polyethyleen (MOP tot en met 10 bar)”; NEN 7244-3: “Nederlandse editie op basis van NEN-EN 12007-3 – Gasvoorzieningsystemen – Leidingen voor maximale druk tot en met 16 bar – Deel 3: Specifieke functionele aanbevelingen voor staal”; NEN 7244-4: “Gasvoorzieningsystemen – Leidingen voor maximale druk tot en met 16 bar – Deel 4: Specifieke functionele eisen voor nodulair gietijzeren leidingen met een maximale bedrijfsdruk van 8 bar”; NEN 7244-5: “Gasvoorzieningsystemen – Leidingen voor maximale druk tot en met 16 bar – Deel 5: Specifieke functionele eisen voor slagvaste PVC-leidingen met een maximale bedrijfsdruk van 200 mbar”; NEN 7244-7: en NEN 7244-7/A1: “Gasvoorzieningsystemen – Leidingen voor maximale druk tot en met 16 bar – Deel 7: Specifieke functionele eisen voor sterkte- en dichtheidsbeproeving en voor het in bedrijf en buiten bedrijf stellen van gasdistributieleidingen”. NEN 7244-9: “Gasvoorzieningsystemen – Leidingen voor maximale druk tot en met 16 bar – Deel 9: Specifieke functionele eisen voor de afhandeling van gasmeldingen en periodiek gaslek zoeken”. NEN 7244-10: “Gasvoorzieningsystemen – Leidingen voor maximale druk tot en met 16 bar – Deel 10: Specifieke functionele eisen voor opstellingsruimten en meteropstellingen met een maximale inlaatdruk van 100 mbar en een maximale ontwerpcapaciteit van 650mn3/h”. Met de in 5a.4.2 bedoelde leidingen worden gelijkgesteld leidingen en installaties die aantoonbaar aan tenminste gelijkwaardige technische eisen voldoen. Met de in 5a.4.2 bedoelde leidingen wordt gelijkgesteld een leiding die rechtmatig is vervaardigd of in de handel is gebracht in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel rechtmatig is vervaardigd of in de handel is gebracht in een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een daartoe strekkend of mede daartoe strekkend Verdrag dat Nederland bindt, en die voldoet aan eisen die een beschermingsniveau bieden dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de eisen genoemd in 5a.4.2 wordt nagestreefd.

Rechtspraak bij dit artikel