Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2 › § 2.4

Artikel 2.22

Artikel 2.22

Onderdeel van Systeemcode elektriciteit 2026· Contracten, schade en aansprakelijkheid

Deze tekst geldt sinds 21 februari 2026

1. In afwijking van artikel 2.46, eerste lid, van de Energiewet, hoeft een aangeslotene met een aansluiting met een doorlaatwaarde kleiner dan of gelijk aan 3x25A niet te zorgen voor een meetinrichting indien: het een aansluiting betreft van een zogenaamde ‘onbemande’ installatie van een object zonder verblijfsfunctie in de openbare ruimte; het belastingprofiel en het verbruik op de aansluiting: van tevoren kan worden bepaald op basis van programmering; achteraf kan worden bepaald op basis van geregistreerde schakeltijden; kan worden bepaald met behulp van een representatieve set van referentiemetingen, of kan worden bepaald op basis van de maximale doorlaatwaarde vermenigvuldigd met 8.760 uur, eventueel gecorrigeerd voor schakeltijden. 2. Ingeval van een aansluiting als bedoeld in het eerste lid zorgt de aangeslotene er voor dat de systeembeheerder altijd over de meest actuele informatie beschikt ten aanzien van: het geïnstalleerde vermogen van de installatie; de in- en uitschakeltijden van de installatie; de tijden dat niet het volledige vermogen van de installatie wordt benut en de omvang van het dan ingeschakelde vermogen en voor zover van toepassing, de overige gegevens, bedoeld in bijlage 15. 3. Indien er wijzigingen worden aangebracht in de installatie of apparatuur achter een overdrachtspunt van een aansluiting als bedoeld in het eerste lid, meldt de aangeslotene dit aan de systeembeheerder teneinde te kunnen beoordelen of continuering van de onbemeten situatie verantwoord is. 4. Indien de systeembeheerder twijfelt aan de juistheid of de volledigheid van de hem overeenkomstig het tweede lid verstrekte gegevens of niet in staat blijkt te zijn de hoeveelheid te transporteren elektriciteit overeenkomstig het eerste lid, onderdeel b, goed te berekenen, kan hij de aangeslotene opdragen tijdelijk te zorgen voor een meetinrichting overeenkomstig artikel 2.46, eerste lid, van de Energiewet. 5. Onverminderd hetgeen bepaald is in de aansluit- en transportovereenkomst is de systeembeheerder gerechtigd tijdelijk een meetinrichting te plaatsen en metingen te (laten) verrichten indien de aangeslotene aan de opdracht, bedoeld in het vierde lid geen gehoor geeft.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel