Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2 › § 2.4

Artikel 2.25

Artikel 2.25

Onderdeel van Systeemcode elektriciteit 2026· Contracten, schade en aansprakelijkheid

Deze tekst geldt sinds 21 februari 2026

1. Aansluitingen waar naar het oordeel van de systeembeheerder geen grotere gelijktijdige schijnbare belasting dan 5,75 kVA, dan wel een met de systeembeheerder in individuele gevallen overeengekomen hogere waarde, kan worden verwacht, worden als éénfase-aansluiting uitgevoerd, tenzij de aan te sluiten elektrische installatie verbruikende toestellen of motoren bevat die ingevolge het bepaalde in het vierde, vijfde en zesde lid op drie fasen of tussen twee fasen moeten worden aangesloten, dan wel de systeembeheerder om vergelijkbare technische redenen een driefasen-aansluiting verlangt. 2. Aansluitingen waar naar het oordeel van de systeembeheerder een grotere gelijktijdige schijnbare belasting dan 5,75 kVA, dan wel een met de systeembeheerder in individuele gevallen overeengekomen hogere waarde, kan worden verwacht, worden, behoudens ontheffing van de systeembeheerder, als driefasen-aansluiting uitgevoerd. Daarbij zorgt de aangeslotene voor een zo veel mogelijk gelijke verdeling van de belasting over de drie fasen. 3. Voor de bepaling van de gelijktijdige schijnbare belasting op een aansluiting wordt het schijnbare vermogen per lichtpunt en contactdoos gesteld op de werkelijke waarde of, indien deze niet bekend is, op een minimum van 50 VA per lichtpunt en 200 VA per contactdoos. Een meervoudige contactdoos wordt als één contactdoos aangemerkt. Bij de bepaling van de gelijktijdige schijnbare belasting wordt rekening gehouden met de te verwachten gelijktijdigheidfactor. 4. Machines met een nominaal vermogen groter dan 2 kW, dan wel een met de systeembeheerder in individuele gevallen overeengekomen hogere waarde, zijn op drie fasen aangesloten. 5. Vermogenselektronische omzetters met een nominaal vermogen groter dan 5 kW, dan wel een met de systeembeheerder in individuele gevallen overeengekomen hogere waarde, zijn op drie fasen aangesloten. 6. Lastoestellen met een schijnbaar vermogen groter dan 2,5 kVA, dan wel een met de systeembeheerder in individuele gevallen overeengekomen hogere waarde, worden tussen twee fasen aangesloten en zijn derhalve ingericht voor een nominale spanning van 400V.

Rechtspraak bij dit artikel