De aangeslotene zorgt er voor dat:
de aansluiting goed bereikbaar blijft;
de toegang tot de ruimte waarin zich de meetinrichting en de tot de aansluiting behorende apparatuur bevinden, niet op een naar het oordeel van de systeembeheerder ontoelaatbare wijze wordt belemmerd;
verzegelingen die door of vanwege de systeembeheerder zijn aangebracht op de meetinrichting of op delen van de aansluiting niet worden geschonden of verbroken tenzij de systeembeheerder uitdrukkelijk toestemming geeft tot het verbreken van de verzegeling;
hij alle maatregelen neemt die redelijkerwijs van hem verwacht kunnen worden om schade aan het in het perceel aanwezige gedeelte van de aansluiting te voorkomen;
de meetinrichting en de tot de aansluiting behorende apparatuur niet opgesteld worden in vochtige ruimten, ruimten met bijtende gassen, dampen of stoffen, ruimten met ontploffingsgevaar en ruimten met brandgevaar; en
boven of in de onmiddellijke nabijheid van de meetinrichting geen water-, stoom- of soortgelijke leidingen voor komen, tenzij, ter beoordeling van de systeembeheerder, passende voorzieningen zijn getroffen voor de bescherming van de meetinrichting.
Hoofdstuk 2 › § 2.1
Artikel 2.4
Artikel 2.4
Onderdeel van Systeemcode elektriciteit 2026· Contracten, schade en aansprakelijkheid
Deze tekst geldt sinds 21 februari 2026