**1.** De elektrische installaties bevatten geen bedrijfsmiddelen die tot invoeding in het systeem van de systeembeheerder kunnen leiden, tenzij aan de aanvullende voorwaarden voor elektriciteitsproductie-eenheden uit hoofdstuk 3 wordt voldaan.
**2.** De aangeslotene stelt de systeembeheerder tijdig op de hoogte van zijn voornemen tot het plaatsen of wijzigen van een elektriciteitsproductie-eenheid of een elektriciteitsopslageenheid, opdat de systeembeheerder eventueel noodzakelijke wijzigingen in het systeem kan doorvoeren.
**3.** Indien het bedrijfsmiddel dat tot invoeding in het systeem van de systeembeheerder kan leiden, bedoeld in het eerste lid, een elektriciteitsopslageenheid betreft:
zijn aansluitvoorwaarden als bedoeld in Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG) en de daarbij behorende onderdelen van hoofdstuk 3 van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat:
een synchroon gekoppelde elektriciteitsopslageenheid voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in de artikelen 13 tot en met 19, artikel 40, de artikelen 42 tot en met 46 en de artikelen 51 tot en met 53 van Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG);
een niet-synchroon gekoppelde elektriciteitsopslageenheid voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in de artikelen 13 tot en met 16, de artikelen 20 tot en met 22, artikel 40, artikel 42, artikel 43, de artikelen 47 tot en met 49 en de artikelen 54 tot en met 56 van Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG);
een elektriciteitsopslageenheid met een maximaal te leveren werkzaam vermogen groter dan of gelijk aan 0,8 kW en kleiner dan 1 MW voldoet aan de bepalingen die van toepassing zijn op een elektriciteitsproductie-eenheid van het type A;
een elektriciteitsopslageenheid met een maximaal te leveren werkzaam vermogen groter dan of gelijk aan 1 MW en kleiner dan 50 MW voldoet aan de bepalingen die van toepassing zijn op een elektriciteitsproductie-eenheid van het type B;
een elektriciteitsopslageenheid met een maximaal te leveren werkzaam vermogen groter dan of gelijk aan 50 MW en kleiner dan 60 MW voldoet aan de bepalingen die van toepassing zijn op een elektriciteitsproductie-eenheid van het type C;
een elektriciteitsopslageenheid met een maximaal te leveren werkzaam vermogen groter dan of gelijk aan 60 MW voldoet aan de bepalingen die van toepassing zijn op een elektriciteitsproductie-eenheid van het type D.
beschikt de elektriciteitsopslageenheid over de mogelijkheid tot het automatisch overschakelen van de opslagmodus naar de opwekkingsmodus, bedoeld in artikel 15, derde lid, onderdeel a, van Verordening (EU) 2017/2196 (NC ER), alsmede over de mogelijkheid tot automatisch ontkoppelen, bedoeld in artikel 15, derde lid, onderdeel b, van Verordening (EU) 2017/2196 (NC ER);
zijn de relevante artikelen van Verordening (EU) 2016/1388 (NC DCC) en paragraaf 4.1 van overeenkomstige toepassing indien de elektriciteitsopslageenheid is aangesloten op een transmissiesysteem;
zijn de relevante artikelen van Verordening (EU) 2016/1388 (NC DCC) en paragraaf 4.2 van overeenkomstige toepassing indien de elektriciteitsopslageenheid vraagsturing levert aan een systeembeheerder;
zijn voor de gegevensuitwisseling tussen de aangeslotene die beschikt over een elektriciteitsopslageenheid en de systeembeheerder de artikelen 12.1, 12.11 en 12.21 of 12.2, 12.12 en 12.22 van overeenkomstige toepassing;
zijn voor de gegevensuitwisseling tussen de aangeslotene die beschikt over een elektriciteitsopslageenheid en de systeembeheerder tevens de artikelen 12.3, 12.13 en 12.23 of 12.4, 12.14 en 12.24 van overeenkomstige toepassing indien de elektriciteitsopslageenheid vraagsturing levert aan een systeembeheerder;
geldt in afwijking van onderdeel a dat voor de gelimiteerde frequentiegevoelige modus – onderfrequentie in zowel de opslag- als in de opwekkingsmodus de statiek ingesteld is op:
2% voor elektriciteitsopslageenheden groter dan 0,8 kW en kleiner dan 1 MW; en
1% voor elektriciteitsopslageenheden groter dan of gelijk aan 1 MW; en
is artikel 9.36 van overeenkomstige toepassing op het beïnvloeden van het via het overdrachtspunt van de aansluiting van een elektriciteitsopslageenheid uit te wisselen werkzaam vermogen.
**4.** Indien het bedrijfsmiddel dat tot invoeding van blindvermogen in het systeem van de systeembeheerder kan leiden, bedoeld in het eerste lid, een synchrone condensor, aangesloten op een transmissiesysteem betreft:
zijn de aansluitvoorwaarden, bedoeld in de artikelen 19, 29, 33 tot en met 37, 40 tot en met 46 en 51 tot en met 53 van Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG), met uitzondering van de onderdelen die betrekking hebben op het werkzaam vermogen, en de daarbij behorende artikelen van hoofdstuk 3, van overeenkomstige toepassing;
in afwijking van onderdeel a, juncto artikel 3.11, tweede lid, geldt voor de frequentiegradiënt van een synchrone condensor een drempelwaarde van 2 Hertz per seconde gedurende een voortschrijdend tijdsvenster van 500 milliseconden;
in afwijking van onderdeel a, juncto artikel 3.27, tweede tot en met vierde lid, is de synchrone condensor in staat bij variërende spanning ten minste een hoeveelheid blindvermogen te leveren dat gekenschetst wordt door een verhouding van blindvermogen tot maximaal schijnbaar vermogen gelijk aan 0,3 bij een spanning van 1,05 pu, gelijk aan 0,65 bij een spanning van 0,9 pu tot 1 pu en dat bepaald wordt door het lineaire verloop tussen respectievelijk 0,65 en 0,3 bij een spanning van 1 pu tot 1,05 pu, en een hoeveelheid blindvermogen op te nemen dat gekenschetst wordt door een verhouding van blindvermogen tot maximaal schijnbaar vermogen gelijk aan 0,1 bij een spanning van 0,9 pu, gelijk aan 0,5 bij een spanning van 1 pu tot 1,05 pu en dat bepaald wordt door het lineaire verloop tussen respectievelijk 0,1 en 0,5 bij een spanning van 0,9 pu tot 1 pu, en is daarmee in staat blindvermogen te leveren of op te nemen ten minste binnen en inclusief de grenzen van het rood gemarkeerde profiel in onderstaand U-Q/Smax-diagram:
zijn de artikelen 9.37, eerste lid, en 9.39 tot en met 9.41 van overeenkomstige toepassing;
zijn voor de gegevensuitwisseling tussen de aangeslotene die beschikt over een synchrone condensor en de systeembeheerder de artikelen 12.1, 12.11 en 12.21, met uitzondering van de onderdelen die betrekking hebben op het werkzaam vermogen, van overeenkomstige toepassing.
**5.** Het vierde lid is van overeenkomstige toepassing indien de synchrone condensor een volledig geïntegreerde systeemcomponent is.
Hoofdstuk 2 › § 2.1
Artikel 2.9
Artikel 2.9
Onderdeel van Systeemcode elektriciteit 2026· Contracten, schade en aansprakelijkheid
Deze tekst geldt sinds 21 februari 2026