Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3 › § 3.5

Artikel 3.22

Artikel 3.22

Onderdeel van Systeemcode elektriciteit 2026· Contracten, schade en aansprakelijkheid

Deze tekst geldt sinds 21 februari 2026

1. De elektriciteitsproductie-eenheid is in staat een referentiewaarde van het werkzaam vermogen te ontvangen en te volgen op aangeven van de distributie- of transmissiesysteembeheerder. Hiervoor gelden de volgende voorwaarden als bedoeld in artikel 15, tweede lid, onderdeel a, van Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG): Het regelbereik ligt tussen het technisch minimum vermogen en het actuele maximum vermogen, tenzij anders overeengekomen is door de distributie- of transmissiesysteembeheerder en de aangeslotene. De tijdsperiode, waarbinnen de aangepaste referentiewaarde voor het werkzaam vermogen moet worden bereikt, wordt vastgelegd in de aansluit- en transportovereenkomst. De tolerantie voor de nieuwe referentiewaarde bedraagt 2% van de maximumcapaciteit. 2. Onverminderd artikel 3.11, vijfde lid, is de elektriciteitsproductie-eenheid is in staat voor de gelimiteerde frequentiegevoelige modus – onderfrequentie de levering van de frequentierespons voor het werkzaam vermogen te activeren overeenkomstig de volgende parameters, als bedoeld in artikel 15, tweede lid, onderdeel c, van Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG): de frequentiedrempelwaarde is instelbaar tussen 49,5 en 49,8 Hz; de instelling van de frequentiedrempelwaarde is: 49,8 Hz; de statiek is instelbaar tussen 4 en 12%; de default instelling van de statiek is: 5%; in geval van een power park module is Pref als bedoeld in figuur 4 van Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG) gelijk aan het feitelijk gegenereerde werkzame vermogen op het moment dat de drempelwaarde van de gelimiteerde frequentiegevoelige modus – onderfrequentie is bereikt. 3. De elektriciteitsproductie-eenheid is in staat, wanneer de frequentiegevoelige modus in bedrijf is, de frequentierespons voor het werkzaam vermogen te leveren, als bedoeld in artikel 15, tweede lid, onderdeel d, subonderdeel i, van Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG), overeenkomstig de volgende parameters: het bereik van het werkzaam vermogen in verhouding tot de maximumcapaciteit: range is: 1,5%–10%; de ongevoeligheid van de frequentierespons is: 10 mHz; de dode band van de frequentierespons is instelbaar tussen 0 en 500 mHz; de statiek is instelbaar tussen 4% en 12%; in geval van een power park module is Pref, als bedoeld in figuur 5 van Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG) gelijk aan het feitelijk gegenereerde werkzame vermogen op het moment dat de drempelwaarde van de frequentiegevoelige modus is bereikt. 4. De elektriciteitsproductie-eenheid is in staat de volledige frequentierespons te leveren, als bedoeld in artikel 15, tweede lid, onderdeel d, subonderdeel iii, en tabel 5 van Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG), overeenkomstig de volgende parameters: het bereik van het werkzaam vermogen in verhouding tot de maximumcapaciteit ligt tussen de 1,5% en 10%; de waarde van het bereik wordt per elektriciteitsproductie-eenheid vastgelegd in de overeenkomst voor de levering van reservecapaciteit; de maximaal toegestane tijd t2 voor elektriciteitsproductie-eenheden is: 30 seconden. 5. De elektriciteitsproductie-eenheid is in staat om, na activering van de frequentiegevoelige modus een volledige frequentierespons te leveren gedurende ten minste 15 minuten, als bedoeld in artikel 15, tweede lid, onderdeel d, subonderdeel v, van Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG). 6. De elektriciteitsproductie-eenheid heeft functionaliteiten, als bedoeld in artikel 15, tweede lid, onderdeel e van Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG), die voldoen aan de specificaties van de artikelen 158 en 159 van Verordening (EU) 2017/1485 (GL SO). 7. De elektriciteitsproductie-eenheid is in staat automatisch te ontkoppelen indien de spanning op het overdrachtspunt van de aansluiting kleiner is dan 0,85 pu of groter dan 1,15 pu. De instelling, waarbij automatische ontkoppeling plaatsvindt, kan door de aangeslotene worden bepaald, mits deze instelling niet conflicteert met de eisen uit Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG) met betrekking tot bedrijfsperiodes voor spanningen en met betrekking tot fault-ride-trough capaciteit. 8. De elektriciteitsproductie-eenheid met black-start-capaciteit is in staat om vanuit stilstand op te starten overeenkomstig de door de transmissiesysteembeheerder vastgestelde en gepubliceerde specificaties, als bedoeld in artikel 15, vijfde lid, onderdeel a, subonderdeel iii, van Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG). 9. De elektriciteitsproductie-eenheid met black-start-capaciteit is in staat tot synchronisatie overeenkomstig de door de transmissiesysteembeheerder vastgestelde en gepubliceerde specificaties, als bedoeld in artikel 15, vijfde lid, onderdeel a, subonderdeel iv, van Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG). 10. De elektriciteitsproductie-eenheid is in staat zich automatisch van het systeem te ontkoppelen in geval van verlies van rotorhoekstabiliteit bij een synchrone elektriciteitsproductie-eenheid of verlies van besturing, als bedoeld in artikel 15, zesde lid, onderdeel a, van Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG). De criteria hiervoor worden opgenomen in de aansluit- en transportovereenkomst. 11. Indien van toepassing leggen de aangeslotene en de systeembeheerder de instellingen van de storingsregistratieapparatuur, inclusief de startcriteria en bemonsteringsfrequenties, als bedoeld in artikel 15, zesde lid, onderdeel b, subonderdeel ii, van Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG), vast in de aansluit- en transportovereenkomst. 12. De aangeslotene en de systeembeheerder leggen een startcriterium voor de oscillatie, als bedoeld in artikel 15, zesde lid, onderdeel b, subonderdeel iii, van Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG), vast in de aansluit- en transportovereenkomst. 13. De aangeslotene en de systeembeheerder leggen, in overleg met de transmissiesysteembeheerder, de communicatieprotocollen voor geregistreerde gegevens vast in de aansluit- en transportovereenkomst als bedoeld in artikel 15, zesde lid, onderdeel b, subonderdeel iv, van Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG). 14. Indien van toepassing leggen aangeslotene en de systeembeheerder de installatie van apparatuur voor bedrijfsvoering en veiligheid van het systeem vast in de aansluit- en transportovereenkomst, als bedoeld in artikel 15, zesde lid, onderdeel d, van Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG). 15. Zoals bedoeld in artikel 15, zesde lid, onderdeel e, van Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG) is: het minimum van de op- en afregelsnelheid van het werkzame vermogen 1% van de maximumcapaciteit per minuut; het maximum van de regelsnelheid van het werkzame vermogen 20% van de maximumcapaciteit per minuut. 16. De aangeslotene legt het aardingsconcept van de sterpunten aan de systeemzijde van de machinetransformatoren, als bedoeld in artikel 15, zesde lid, onderdeel f, van Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG), vast in de aansluit- en transportovereenkomst.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel