Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 9 › § 9.7

Artikel 9.48

Artikel 9.48

Onderdeel van Systeemcode elektriciteit 2026· Contracten, schade en aansprakelijkheid

Deze tekst geldt sinds 1 maart 2026

1. De transmissiesysteembeheerder bepaalt voor de komende dimensioneringsperiode de reservecapaciteit in de vorm van automatische frequentieherstelreserves en noodvermogen die verwacht wordt ten minste nodig te zijn op basis van de hoogste uitkomst van de volgende drie methoden: een deterministische methode, namelijk door voor zowel de positieve als de negatieve richting afzonderlijk de grootst mogelijke uitval vast te stellen, die kan worden veroorzaakt door een elektriciteitsproductie-eenheid, een elektriciteitsopslageenheid, een verbruiksinstallatie, een HVDC-systeem of een verbinding binnen het landelijk hoogspanningsnet; een stochastische methode, namelijk door voor zowel de positieve als de negatieve richting afzonderlijk vast te stellen wat de benodigde reserves waren geweest om in 99% van de tijd de onbalansen van het LFC-blok op te kunnen lossen gedurende de periode van een volledig jaar dat niet eerder is geëindigd dan een half jaar voorafgaand aan de berekeningsdatum; een probabilistische methode, namelijk door voorspellingen te doen als bedoeld in het tweede lid, die kunnen leiden tot significante onbalansen van het LFC-blok. 2. Voor de toepassing van de probabilistische methode, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, maakt de transmissiesysteembeheerder voorspellingen van onder andere: de voorspellingsfout voor de productie uit windenergie, afgeleid van de voorspellingsfout van de weersverwachting voor wind; de voorspellingsfout voor de productie uit zonne-energie, afgeleid van de voorspellingsfout van de weersverwachting voor zon; de verwachte impact van de uitval van HVDC-systemen, gebaseerd op historische gegevens met betrekking tot ongeplande uitval; de verwachte impact van de uitval van thermische productie-eenheden op het net van de transmissiesysteembeheerder, gebaseerd op historische gegevens met betrekking tot ongeplande uitval. 3. De transmissiesysteembeheerder kan de overeenkomstig het eerste lid vastgestelde reservecapaciteit verminderen: met een deel van het volume frequentieherstelreserves dat op grond van een overeenkomst met een transmissiesysteembeheerder van een aangrenzend LFC-blok wordt gedeeld, onder de in artikel 157, tweede lid, onderdelen j en k, en deel IV, Titel 8 van Verordening (EU) 2017/1485 (GL SO) bedoelde voorwaarden; met een deel van het te verwachten volume aan vrijwillige biedingen automatische frequentieherstelreserves en noodvermogen, mits dit deel met voldoende zekerheid voor de gehele contractperiode beschikbaar is. 4. De transmissiesysteembeheerder bepaalt de verdeling van de verwachte benodigde reservecapaciteit in de vorm van automatische frequentieherstelreserves en noodvermogen als bedoeld in het eerste lid, na eventuele vermindering op basis van het derde lid, als volgt: voor automatische frequentieherstelreserves ten minste een hoeveelheid die ertoe leidt dat: de positieve automatische frequentieherstelreserves groter zijn dan het 0,5e percentiel van het verschil tussen de eenminuutgemiddelde resterende ACE zonder bijdrage van activeringen van frequentiebegrenzingsreserves, onbalansnetting en activeringen van automatische frequentieherstelreserves, en de vijftienminutengemiddelde resterende ACE zonder bijdrage van activeringen van frequentiebegrenzingsreserves, onbalansnetting en activeringen van frequentieherstelreserves van het LFC-blok van hetzelfde kwartier; de negatieve automatische frequentieherstelreserves groter zijn dan het 99,5e percentiel van het verschil tussen de eenminuutgemiddelde resterende ACE zonder bijdrage van activeringen van frequentiebegrenzingsreserves, onbalansnetting en activeringen van automatische frequentieherstelreserves, en de vijftienminutengemiddelde resterende ACE zonder bijdrage van activeringen van frequentiebegrenzingsreserves, onbalansnetting en activeringen van frequentieherstelreserves van het LFC-blok van hetzelfde kwartier; voor noodvermogen voor het deel dat resteert na de onder a bepaalde hoeveelheid automatische frequentieherstelreserves in mindering te hebben gebracht op de overeenkomstig het eerste en derde lid vastgestelde totale benodigde hoeveelheid reservecapaciteit. 5. De transmissiesysteembeheerder kan de overeenkomstig het vierde lid, onderdeel a, vastgestelde hoeveelheid reservecapaciteit automatische frequentieherstelreserves bijstellen indien operationele omstandigheden dit vereisen. 6. De transmissiesysteembeheerder hanteert de door hem vast te stellen fallback-waarden, indien hij om technische redenen niet in staat is om overeenkomstig het eerste lid de totale benodigde hoeveelheid reservecapaciteit te bepalen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel