Naar hoofdinhoud

Artikel 4

Te verstrekken informatie

Onderdeel van Regeling Verantwoording bbaz 2025 compartiment 1· Gezondheidsrecht en farmaceutisch recht

Deze tekst geldt sinds 4 april 2026

De procedure voor het verantwoordingsjaar 2025 is als volgt: Uiterlijk 1 september 2026: de ontvanger levert de informatie aan de NZa zoals uitgewerkt in artikel 4.2.1 en artikel 4.2.2. Daarbij maakt de ontvanger gebruikt van de door de NZa geleverde data over 2023, exclusief unieke zorg, in csv-format, het toelichtingsdocument en de vulling van de DIS van de top 10 doorverwijzende ziekenhuizen. Tevens maakt de ontvanger gebruik van de door de NZa aangeleverde referentiekostprijzen en indexcijfers om de meerkosten berekenen en te indexeren. Uiterlijk 1 november 2026: Bij eventuele onderverantwoording in eerste aanleg wordt door de betreffende ontvanger en de NZa onderzocht hoe met maatwerk de vergelijking tussen gerealiseerde kosten 2025 en de ontvangen beschikbaarheidbijdrage voor 2025 kan worden verbeterd. De NZa stelt vervolgens de bbaz 2025 formeel vast conform de Beleidsregel beschikbaarheidbijdrage academische zorg 2025. De jaarlijkse verantwoording vindt plaats aan de hand van de volgende twee onderdelen: Patiëntgebonden labels Ontwikkeling en Innovatie De systematiek voor de verantwoording van de labels bestaat uit de volgende stappen: De NZa berekent de score per label per ontvanger De NZa verstuurt uiterlijk 4 maart 2026 de informatie via het uitwisselportaal naar de ontvanger zoals genoemd in paragraaf 4.1, lid 1. In de verantwoording worden de unieke dbc-zorgproducten voor de topreferente patiënten niet meegeteld. De ontvanger levert uiterlijk 1 september 2026 de volgende gegevens aan: Kwantitatief De kosten voor topreferente zorg betrekking hebbend op 2025, uitgedrukt in meerkosten op instellingsniveau op basis van de topreferente patiënten uit het jaar 2023. De meerkosten voor topreferente zorg betrekking hebbend op 2025, voor de vijf diagnosegroepen met de hoogste meerkosten. In aanvulling op bovenstaande geldt het volgende ten aanzien van de berekening van de meerkosten: Ad a) De ontvanger berekent de meerkosten op instellingsniveau als volgt: Selecteer alle subtrajecten (inclusief zorgtype 51) met bijbehorende zorgproducten en diagnosegroep o.b.v. het bestand zoals de NZa dat uitgeleverd heeft artikel 4 die gekoppeld kunnen worden aan een academische patiënt. Hanteer de instellingsspecifieke kostendragers die binnen het kostprijsmodel 2023 zijn gebruikt. Bereken per subtraject de kostprijs door het zorgprofiel te vermenigvuldigen met de kostendragers (uit stap 2). Verminder de kostprijs van het subtraject (uit stap 3) met de gemiddelde (patiënt-gebonden) opbrengsten zoals verwerkt in het kostprijsmodel exclusief de opbrengsten kolom “Beschikbaarheidsbijdrage academische component -TRF” 2023. Koppel via de zorgproductcode de referentiekostprijs die de NZa heeft opgeleverd aan de geselecteerde subtrajecten (uit stap i.). Aggregeer de instellingsspecifieke kosten (uit stap iv) en de referentiekosten (uit stap v) op het niveau van de patiënt tot twee bedragen. Indien er sprake is van IC-activiteiten die al vergoed zijn via een IC-tarief, dienen deze opbrengsten in mindering gebracht te worden bij de patiënt. Aggregeer de meerkosten over alle patiënten tot de totale meerkosten van de instelling. Indexeer de meerkosten op instellingsniveau naar het niveau van 2025 op basis van de door de NZa uitgeleverde indexpercentages. ad b) De instelling bepaalt de top vijf diagnosegroep als volgt: Hanteer het bestand zoals berekend uit stap 5 (in onderdeel b) Bereken de totale instellingsspecifieke kosten en de referentiekosten per diagnosegroep. De subtrajecten zijn gegroepeerd naar diagnosegroep volgens bijlage 3 diagnosegroepentabel. Selecteer de 5 hoogste bedragen om de top 5 van diagnosegroepen te bepalen en neem deze op in de verantwoording. Indexeer de meerkosten op instellingsniveau naar het niveau van 2025 op basis van de door de NZa uitgeleverde indexpercentages. Bij het bepalen van de kosten voor de subtrajecten is de volgende scope van toepassing. Het gaat uitsluitend om verzekerde dbc-zorgproductie gerelateerd aan academische patiënten die zijn uitgeleverd door de NZa zoals bedoeld onder artikel 4.1 inclusief zorgtype 51. De volgende zorg is uitgesloten bij het bepalen van meerkosten voor de patiënten: Overig zorgproducten (o.a. kaakchirurgie) Psychiatrie Klinische genetica Zorgprofielklassen dure geneesmiddelen en weesgeneesmiddelen met add-on indicatie en stollingsfactoren Een inhoudelijke uitwerking op instellingsniveau van de activiteiten van de ontvanger gericht op academische patiëntenzorg. De verantwoording van ontwikkeling en innovatie (O&I) ziet er als volgt uit: De ontvanger levert uiterlijk 1 september 2026 de volgende gegevens aan: Kwantitatief De kosten voor ontwikkeling en innovatie betrekking hebbend op 2025, onderverdeeld naar de volgende categorieën: Innovatie gekoppeld aan de innovatiekalender van het Ministerie van VWS Investeringen ten behoeve van innovatieve apparatuur en fysici (Nog) niet vergoede zorg Klinische research en randvoorwaardelijke voorzieningen Beschikbaarheid kennis en voorzieningen bij rampen, infecties en epidemieën Kennisdeling en consultatie Ontwikkeling kwaliteitsbeleid, richtlijnen en normeringen Databank-functie en big data-ontwikkeling Overkoepelende kosten Kwalitatief Een inhoudelijke omschrijving van welke activiteiten per kostencategorie zijn uitgevoerd door de instelling in 2025, waarvan in elk geval categorie ix nader gespecificeerd wordt. De NZa stelt vast dat elke ontvanger de informatie heeft aangeleverd. De richtlijnen voor het opstellen van de verantwoording per categorie zoals opgenomen in artikel 4.2.2 lid 1 zijn verder uitgewerkt in de bijlage 2 – formulier huisspecifieke toelichting O&I en TRF 2025.

Rechtspraak bij dit artikel