Naar hoofdinhoud

Artikel 13

Intrekking subsidieverlening, uitstel startdatum en verlenging activiteitenperiode

Onderdeel van Subsidieregeling instandhouding woonhuis-monumenten Caribisch Nederland 2026· Cultureel recht

Deze tekst geldt sinds 8 april 2026

1. De minister kan de subsidieverlening intrekken indien de eigenaar niet voldoet aan de verplichting, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder a, behoudens overmacht of onvoorziene omstandigheden aan de kant van de eigenaar. 2. De minister kan de periode, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel a, op schriftelijk verzoek van de subsidieontvanger eenmalig uitstellen met maximaal zes maanden, indien het door overmacht of onvoorziene omstandigheden redelijkerwijs niet mogelijk is om de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend binnen de oorspronkelijke periode aan te laten vangen. 3. Een verzoek om uitstel bevat: een motivering waaruit blijkt welke omstandigheden maken dat de activiteiten redelijkerwijs niet kunnen aanvangen op de oorspronkelijke startdatum; en een planning van de werkzaamheden, met een voorgenomen startdatum en einddatum, waaruit blijkt dat de instandhoudingswerkzaamheden binnen zes maanden na de oorspronkelijke uiterste startdatum aanvangen en binnen 18 maanden na aanvang worden afgerond. 4. De subsidieontvanger dient een aanvraag als bedoeld in het tweede lid onverwijld in en uiterlijk voor de oorspronkelijke startdatum waarvoor de subsidie is verleend. 5. De minister kan de periode, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel c, op schriftelijk verzoek van de subsidieontvanger maximaal twee keer met zes maanden verlengen, indien de subsidieontvanger door overmacht of onvoorziene omstandigheden redelijkerwijs niet in staat is de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend binnen de oorspronkelijke periode af te ronden. 6. Een verzoek om verlenging bevat: een motivering waaruit blijkt welke omstandigheden maken dat de activiteiten redelijkerwijs niet binnen de oorspronkelijke activiteitenperiode kunnen worden afgerond; een opgave van de instandhoudingswerkzaamheden waarvoor de verlenging noodzakelijk is; en een nieuwe planning van de werkzaamheden, met een voorgenomen einddatum waaruit blijkt dat de instandhoudingswerkzaamheden binnen zes maanden na de oorspronkelijke uiterste einddatum worden afgerond. 7. De subsidieontvanger dient een aanvraag als bedoeld in het zesde lid onverwijld in en uiterlijk voor het einde van de periode waarvoor de subsidie is verleend.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel