Naar hoofdinhoud

Artikel 3

Gevallen waarin toestemming van het College is voorgeschreven

Onderdeel van Aanwijzing advisering door de Centrale toetsingscommissie· Procesrecht

Deze tekst geldt sinds 1 mei 2026

Voor de toepassing van in elk geval de volgende (opsporings)bevoegdheden is de advisering door de CTC en de toestemming van het College vereist. Het opnemen van vertrouwelijke communicatie (OVC) met een technisch hulpmiddel in een woning of een daaraan gelijk te stellen ruimte (artikelen 126l, 126s, 126zf Sv en 6:1:7 lid 2 Sv); Politiële infiltratie (artikelen 126h, 126p en 126ze Sv); Afzonderlijke toestemming is vereist voor pseudokopen (artikelen 126i, 126q en 126zd Sv) en pseudoverkopen tijdens een infiltratietraject indien de toepassing daarvan niet past binnen het infiltratietraject dat eerder is aan de CTC is voorgelegd en waarvoor door het College toestemming is verleend; Burgerinfiltratie (artikelen 126w, 126x en 126zu Sv); Afzonderlijke toestemming is vereist voor pseudokopen (artikelen 126ij en 126z Sv) en pseudoverkopen tijdens een infiltratietraject indien de toepassing daarvan niet past binnen het infiltratietraject dat eerder is aan de CTC is voorgelegd en waarvoor door het College toestemming is verleend; Het binnendringen van een geautomatiseerd werk (artikelen 126nba, 126uba, 126zpa en 6:1:7 lid 2 Sv); Alle gevallen van afzien van inbeslagneming van bij de wet verboden, voor de volksgezondheid schadelijke of voor de veiligheid gevaarlijke voorwerpen (doorlaatverbod, artikel 126ff lid 2 Sv); Alle gevallen van het ‘doorlaten van personen’ in het kader van mensensmokkel (artikel 126ff lid 2 Sv); Toezeggingen aan getuigen in strafzaken (artikel 44a Sr en artikelen 226g t/m 226k Sv); Het toepassen van getuigenbescherming (artikel 226l Sv); Grootschalig DNA-onderzoek (artikel 151a Sv); DNA-verwantschapsonderzoek (met uitzondering van een-op-een-vergelijkingen en reguliere databankbevragingen) (artikel 151da Sv); Herziening ten nadele (artikelen 482a Sv e.v.); De toepassing van onorthodoxe opsporingsmethoden; Het uitgangspunt is dat geen gebruik wordt gemaakt van opsporingsmethoden die naar de stand van de wetenschap (nog) geen zekerheid bieden omtrent de betrouwbaarheid van de resultaten.1Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het gebruik van vormen van leugen- en geheugendetectie. Alleen bij zeer hoge uitzondering, namelijk in geval van een verdenking van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaar of meer is gesteld en het opsporingsonderzoek is vastgelopen, kan een dergelijke opsporingsmethode worden overwogen.2Hierbij moet met name worden gedacht aan misdrijven die zo ernstig zijn in de gevolgen voor een slachtoffer of nabestaanden, dat alle mogelijkheden om het misdrijf op te lossen overwogen moeten kunnen worden. De resultaten kunnen alleen als sturingsinformatie worden gebruikt; Inkomende en uitgaande rechtshulpverzoeken waarin de uitvoering van een van bovengenoemde opsporingsactiviteiten wordt verzocht; Het treffen van maatregelen die verband houden met de naamsbekendheid en herkenbaarheid van officieren van justitie en advocaten-generaal in strafzaken.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel