Het verzoek aan de CTC wordt door de officier van justitie inhoudelijk afgestemd met de rechercheofficier van het eigen parket. De hoofdofficier legt de zaak schriftelijk of digitaal voor aan de CTC. De CTC geeft een advies aan het College, op basis waarvan het College een beslissing neemt.
In twee gevallen legt het College zijn voorgenomen beslissing voor aan de Minister van Justitie en Veiligheid, te weten de uitzondering op het verbod op doorlaten zoals bedoeld in artikel 126ff lid 2 Sv en de inzet van een (criminele) burgerinfiltrant (artikel 131 lid 5 Wet RO i.c.m. artikel 140a Sv). Dit is een wettelijke verplichting.
Het College stelt – door tussenkomst van de secretaris van de CTC – de aanvragende hoofdofficier zo spoedig mogelijk in kennis van zijn beslissing, met de eventueel daarbij gestelde voorwaarden. De beslissing wordt schriftelijk of digitaal bevestigd.
Een door de CTC geadviseerde en door het College gestelde termijn behoeft niet gelijk te zijn aan de wettelijke termijn van het bevel van de officier van justitie. Indien toestemming is gegeven voor een termijn die de geldigheidsduur van het bevel overstijgt, kan het bevel met inachtneming van die termijn en (indien nodig) na machtiging van de rechter-commissaris worden verlengd.
De door het College gestelde termijn waarbinnen de inzet van de bevoegdheid plaatsvindt kan zo nodig op verzoek van de hoofdofficier worden verlengd. Hiervoor geldt in beginsel dezelfde procedure.
In spoedeisende gevallen is een versnelde, mondelinge procedure mogelijk. Het advies van de CTC wordt achteraf op schrift gesteld. De beslissing van het College wordt schriftelijk of digitaal bevestigd.
Artikel 5
Procedure
Onderdeel van Aanwijzing advisering door de Centrale toetsingscommissie· Procesrecht
Deze tekst geldt sinds 1 mei 2026