Naar hoofdinhoud

Artikel 2

Goedkeuringen vooruitlopend op wetgeving

Onderdeel van Beleidsbesluit fiscale maatregelen naar aanleiding van de energieschok· Belastingrecht

Deze tekst geldt sinds 22 mei 2026

Op grond van artikel 31a, tweede lid, onderdeel a, onder 3°, Wet LB 1964 geldt een gerichte vrijstelling van maximaal € 0,23 per kilometer voor vervoer in het kader van de dienstbetrekking, waaronder woon-werkverkeer. Ter ondersteuning van de koopkracht van huishoudens wordt deze maximale gericht vrijgestelde vergoeding met € 0,02 verhoogd tot € 0,25 per kilometer. Omgerekend leidt de hogere gericht vrijgestelde vergoeding tot een voordeel van circa € 0,30 per liter brandstof.4Bij gemiddeld verbruik van 1 liter op 15 kilometer. Voor zakelijke ritten, inclusief woon-werkverkeer, kan hiermee een groot deel van de prijsstijging voor brandstof worden gecompenseerd. Vooruitlopend op een wijziging van wetgeving keur ik goed dat een werkgever, in afwijking van artikel 31a, tweede lid, onderdeel a, onder 3°, Wet LB 1964, structureel en met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2026, aan werknemers een gericht vrijgestelde vergoeding voor vervoer in het kader van de dienstbetrekking, inclusief woon-werkverkeer, kan verstrekken van maximaal € 0,25 per kilometer in plaats van € 0,23 per kilometer. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat deze goedkeuring eveneens geldt voor de rechtstreeks hiermee samenhangende bepalingen die zijn opgenomen in de artikelen 13a, vierde lid, onderdeel e, en 31a, zesde lid, Wet LB 1964. Deze bepalingen zien kort gezegd op de saldering van qua hoogte uiteenlopende vergoedingen voor reiskosten binnen het kalenderjaar. De wet kent om redenen van eenvoud en doelmatigheid voor alle vormen van vervoer één vast bedrag per kilometer als gericht vrijgestelde vergoeding. Dat betekent dat de verhoogde gericht vrijgestelde vergoeding ook geldt als met het openbaar vervoer5Bij openbaar vervoer mag ook gekozen worden voor het gericht vrijgesteld vergoeden van de daadwerkelijke kosten., met de (motor)fiets of lopend wordt gereisd. Voorts keur ik uit doelmatigheidsoverwegingen op grond van artikel 64 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen voor zover nodig goed dat, in afwijking van artikel 28a Wet LB 1964, correctieberichten mogen worden ingediend om de verhoogde gericht vrijgestelde reiskostenvergoeding te effectueren over reeds verstreken tijdvakken van het lopende kalenderjaar. Ook voor werkenden die geen werknemer zijn, bijvoorbeeld IB-ondernemers en resultaatgenieters, geldt dat zij te maken hebben met hogere brandstofprijzen voor zakelijke kilometers. In samenhang met de goedkeuring onder 2.1 wordt de maximale aftrek van reiskosten daarom ook voor deze groep verhoogd. Vooruitlopend op een wijziging van wetgeving keur ik goed dat, in afwijking van de artikelen 3.15, zesde lid, en 3.17, eerste lid, onderdeel b, Wet IB 2001, structureel en met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2026, de aftrek van de in die bepalingen bedoelde reiskosten € 0,25 bedraagt in plaats van € 0,23. Daarnaast geldt de goedkeuring ook voor andere in de Wet IB 2001 opgenomen forfaitaire aftrekbedragen voor reiskosten. Daarvoor geldt eveneens dat structureel en met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2026 een forfait van € 0,25 per kilometer geldt in plaats van € 0,23 per kilometer. Het betreft: de aftrek van uitgaven voor specifieke zorgkosten voor reiskosten voor het verkrijgen van genees- of heelkundige hulp, farmaceutische hulpmiddelen en andere hulpmiddelen of reiskosten voor ziekenbezoek (artikel 6.17, zesde lid, onderdeel a, Wet IB 2001); de aftrek voor weekenduitgaven voor gehandicapten (artikel 6.26 Wet IB 2001 en artikel 40, eerste lid, onderdeel b, URIB 2001); en de giftenaftrek voor de situatie waarin een vrijwilliger afziet van een reiskostenvergoeding (artikel 6.36, tweede lid, Wet IB 2001). Deze goedkeuring leidt ertoe dat: IB-ondernemers en resultaatgenieters een hogere aftrek kunnen toepassen voor hun reiskosten; een belastingplichtige een hoger bedrag aan reiskosten in aftrek kan brengen vanwege het verkrijgen van genees- of heelkundige hulp, farmaceutische hulpmiddelen en andere hulpmiddelen of reiskosten voor ziekenbezoek; een belastingplichtige een hoger bedrag aan reiskosten in aftrek kan brengen vanwege het vervoeren van een gehandicapte van en naar een zorginstelling; en een vrijwilliger bij het afzien van een reiskostenvergoeding, een hoger bedrag als aftrekbare gift in aanmerking mag nemen. Btw-ondernemers die gebruik maken van een bestelauto voor de uitvoering van hun werkzaamheden worden hard getroffen door de sterk gestegen brandstofprijzen. Voor veel btw-ondernemers vormt de bestelauto een onmisbaar bedrijfsmiddel. Dat geldt in het bijzonder voor btw-ondernemers in onder meer de bouw, installatiebranche, logistiek, detailhandel en ambulante dienstverlening. De stijging van de brandstofprijzen raakt deze btw-ondernemers daarom rechtstreeks in hun bedrijfsresultaat. Om de veerkracht en weerbaarheid van deze groep te vergroten, is gekozen voor een gerichte maatregel in de vorm van een tijdelijke verlaging van de verschuldigde motorrijtuigenbelasting. Vooruitlopend op een wijziging van wetgeving keur ik goed dat van 1 juli 2026 tot en met 31 december 2026, in afwijking van artikel 24b, eerste lid, Wet MRB 1994 en onverminderd artikel 28 Wet MRB 1994, de volgende tarieftabel wordt toegepast voor een bestelauto van een btw-ondernemer die de bestelauto meer dan bijkomstig bezigt in het kader van zijn onderneming: bij een massa rijklaar in kilogrammen van over een tijdvak van drie maanden vermeerderd met per 100 kg massa rijklaar boven 600 of minder € 25,99 700 tot en met 1.100 € 31,78 € 4,07 700 kg 1.200 tot en met 2.100 € 52,21 € 4,38 1.200 kg 2.200 tot en met 2.800 € 96,23 € 4,71 2.200 kg 2.900 en meer € 127,40 € 1,07 2.900 kg De motorrijtuigenbelasting voor bestelauto’s is verschuldigd per tijdvak van drie maanden. Een tijdvak start op de datum van eerste tenaamstelling van het motorrijtuig en telkenmale drie maanden later. Hierdoor kan het zijn dat een tijdvak niet gelijk loopt met een kalenderkwartaal. De verlaging gaat in bij aanvang van het eerstvolgende tijdvak vanaf 1 juli 2026 en is gedurende twee tijdvakken van toepassing. Dat volgt uit artikel 83 Wet MRB 1994.6Bij een wijziging van de tenaamstelling geldt de reguliere systematiek die op grond van artikel 83 Wet MRB 1994 van toepassing is bij een wijziging van het tarief voor de motorrijtuigenbelasting. Indien het tweede tijdvak aanvangt na 1 oktober 2026, loopt dit tijdvak in beginsel door in 2027. Het lagere tarief blijft in dat geval van toepassing tot het einde van dat tweede tijdvak, ook voor het gedeelte dat in 2027 valt. De sterke stijging van brandstofkosten werkt ook direct door in de kosten van btw-ondernemers en vervoerders die voor hun bedrijfsvoering afhankelijk zijn van vrachtauto’s. Voor deze groep vormt de vrachtauto een essentieel bedrijfsmiddel. Dat geldt in het bijzonder voor bedrijven in het goederenvervoer, de distributie, de bouw, de afvalinzameling en andere sectoren waarin zwaar wegvervoer onmisbaar is. Om de veerkracht en weerbaarheid van deze groep te vergroten, is gekozen voor een gerichte en tijdelijke maatregel in de vorm van een verlaging van verschuldigde motorrijtuigenbelasting tot nihil. Vooruitlopend op een wijziging van wetgeving keur ik goed dat van 1 juli 2026 tot en met 31 december 2026, in afwijking van artikel 25a Wet MRB 1994, een tarief van nihil wordt toegepast voor een vrachtauto. De motorrijtuigenbelasting voor vrachtauto’s is verschuldigd per tijdvak van drie maanden. Een tijdvak start op de datum van eerste tenaamstelling van het motorrijtuig en telkenmale drie maanden later. Hierdoor kan het zijn dat een tijdvak niet gelijk loopt met een kalenderkwartaal. De verlaging gaat in bij aanvang van het eerstvolgende tijdvak vanaf 1 juli 2026 en is gedurende twee tijdvakken van toepassing. Dat volgt uit artikel 83 Wet MRB 1994.7Hetgeen is beschreven in voetnoot 6 geldt ook voor dit onderdeel. Indien het tweede tijdvak aanvangt na 1 oktober 2026, loopt dit tijdvak in beginsel door in 2027. Het nihiltarief blijft in dat geval van toepassing tot het einde van dat tweede tijdvak, ook voor het gedeelte dat in 2027 valt. Ook in Caribisch Nederland worden burgers en bedrijven hard geraakt door de hogere brandstofprijzen. Vanuit het principe van ‘comply or explain’ worden de maximale op de opbrengst uit arbeid, bedrijf en beroep in aftrek te brengen autokosten, het voor het gebruik van de auto per kilometer maximaal als buitengewone last in aanmerking te nemen bedrag en de maximale onbelaste kilometervergoeding voor zakelijke kilometers, voor belastingplichtigen in Caribisch Nederland verhoogd. Vooruitlopend op een wijziging van wetgeving keur ik goed dat structureel en met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2026: in afwijking van artikel 9c, derde lid, onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting BES, de belastingplichtige als autokosten in plaats van USD 0,20 een bedrag van niet meer dan USD 0,22 per kilometer in aftrek kan brengen op de opbrengst uit arbeid, bedrijf en beroep; in afwijking van artikel 16a, tweede lid, onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting BES, de belastingplichtige als met de in artikel 16a, eerste lid, onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting BES, bedoelde uitgaven verband houdende kosten van vervoer per auto in plaats van USD 0,20 een bedrag van niet meer dan USD 0,22 per kilometer in aanmerking mag nemen. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat deze goedkeuring eveneens geldt voor de rechtstreeks hiermee samenhangende bepaling die is opgenomen in artikel 6, vijfde lid, onderdeel g, onder 2°, van de Wet loonbelasting BES. Deze bepaling ziet kort gezegd op de vergoeding van vervoerskosten die niet tot het loon behoren.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel