**1.** Op lopende aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 waarin reeds een voornemen is uitgebracht, blijft het recht van toepassing zoals dat gold op het moment waarop het voornemen is uitgebracht, voor zover dat betrekking heeft op de voornemen- en zienswijzeprocedure.
**2.** Op reeds verleende verblijfsvergunningen voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 33 van de Vreemdelingenwet 2000 blijft het recht gelden zoals dat gold op het moment van verlening van de verblijfsvergunning.
**3.** Voor besluiten tot oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel als bedoeld in de artikelen 6, 6a, 58, 59, 59a en 59b van de Vreemdelingenwet 2000 die zijn opgelegd voor de datum van inwerkingtreding van artikel I, onderdelen BR en BS van deze wet, evenals voor de verlenging van deze besluiten en de voortduring van deze vrijheidsontnemende maatregelen, blijven de artikelen 94 en 96 van de Vreemdelingenwet 2000 gelden zoals die artikelen luidden onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdelen BR en BS, van deze wet.
**4.** In afwijking van het derde lid, blijven voor besluiten tot oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel als bedoeld in de artikelen 6, eerste, tweede en zesde lid, en 59 van de Vreemdelingenwet 2000, evenals voor de verlenging van deze besluiten en de voortduring van deze vrijheidsontnemende maatregelen, de termijnen van toepassing van artikel 94, vierde en vijfde lid, van de Vreemdelingenwet 2000, zoals deze artikelleden luidden onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel BR, subonderdelen 2 en 3, van deze wet.
**5.** Artikel I, onderdeel BT, van deze wet is van toepassing op besluiten tot oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel als bedoeld in de artikelen 6, 6a, 58, 59, 59a en 59b van de Vreemdelingenwet 2000 die zijn opgelegd na de datum van inwerkingtreding van dat artikelonderdeel.
**6.** Op aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 ingediend voor 12 juni 2026, blijven de voorschriften gesteld bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000 zoals die wet luidde op het moment van inwerkingtreding van artikel I, van toepassing, voor wat betreft voorschriften die betrekking hebben op:
rechtmatig verblijf tijdens de procedure,
afdoeningsgronden,
beslistermijnen,
rechtsgevolgen van de afwijzing,
beroepstermijnen,
schorsende werking van het beroep;
toetsingswijze in beroep; en
termijnen waarbinnen uitspraak wordt gedaan op beroep.
**7.** Het zesde lid is van overeenkomstige toepassing op besluiten tot intrekking van de internationale bescherming indien het onderzoek met het oog op de intrekking van de internationale bescherming is begonnen voor 12 juni 2026.
**8.** Een op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet geldige verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de wet wordt op dat tijdstip van rechtswege aangemerkt als een verblijfsvergunning op grond van deze wet, waarbij de geldigheidsduur van de verblijfstitel als bedoeld in artikel 9, tweede lid van de Vreemdelingenwet 2000 verstrijkt op het moment dat de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd zou zijn verlopen.
**9.** Bij ministeriële regeling kunnen de in het zesde lid bedoelde voorschriften nader worden benoemd.
Artikel IX
Overgangsrecht
Onderdeel van Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026· Migratierecht
Deze tekst geldt sinds 12 juni 2026