**1.** Als frictiekosten worden uitsluitend aangemerkt personeelskosten en overige kosten voor de boekjaren 2025–2028 die:
doelmatig en noodzakelijk zijn voor de uitvoering van bezuinigings- en reorganisatieplannen van de landelijke publieke mediadiensten als gevolg van de opgelegde overheidsbezuinigingen;
zijn genoemd in de bijlagen 1 en 2; en
die niet in verband staan met de doorlopende activiteiten van de landelijke publieke mediadienst.
**2.** Personeelskosten als bedoeld in het eerste lid die verband houden met de beëindiging van de arbeidsovereenkomsten van de medewerkers van de landelijke publieke mediadienst voor de periode van 1 januari 2025 tot en met 31 december 2028 dienen in overeenstemming te zijn met de CAO SR en de aldaar genoemde bedragen niet te overschrijden.
**3.** Kosten van een vrijwillige vertrekregeling kunnen slechts worden aangemerkt als personele frictiekosten als aan de volgende procedure is voldaan:
de landelijke publieke mediadienst stelt allereerst vast waar binnen de organisatie de reductie van arbeidsplaatsen gaat plaatsvinden;
uitsluitend de op deze wijze geselecteerde groepen werknemers krijgen het aanbod om vooruitlopend op de komende reductie hun arbeidsovereenkomst te beëindigen op basis van een vrijwillige vertrekregeling;
deze vrijwillige vertrekregeling is in overeenstemming met de CAO SR en de frictiekosten mogen de aldaar genoemde bedragen niet overschrijden; en
waarna de functies die vacant zijn gekomen vervallen.
Artikel 2
Frictiekosten
Onderdeel van Beleidsregel frictiekosten 2025–2028· Cultureel recht
Deze tekst geldt sinds 15 juli 2026