Naar hoofdinhoud

Artikel 2

Frictiekosten

Onderdeel van Beleidsregel frictiekosten 2025–2028· Cultureel recht

Deze tekst geldt sinds 15 juli 2026

1. Als frictiekosten worden uitsluitend aangemerkt personeelskosten en overige kosten voor de boekjaren 2025–2028 die: doelmatig en noodzakelijk zijn voor de uitvoering van bezuinigings- en reorganisatieplannen van de landelijke publieke mediadiensten als gevolg van de opgelegde overheidsbezuinigingen; zijn genoemd in de bijlagen 1 en 2; en die niet in verband staan met de doorlopende activiteiten van de landelijke publieke mediadienst. 2. Personeelskosten als bedoeld in het eerste lid die verband houden met de beëindiging van de arbeidsovereenkomsten van de medewerkers van de landelijke publieke mediadienst voor de periode van 1 januari 2025 tot en met 31 december 2028 dienen in overeenstemming te zijn met de CAO SR en de aldaar genoemde bedragen niet te overschrijden. 3. Kosten van een vrijwillige vertrekregeling kunnen slechts worden aangemerkt als personele frictiekosten als aan de volgende procedure is voldaan: de landelijke publieke mediadienst stelt allereerst vast waar binnen de organisatie de reductie van arbeidsplaatsen gaat plaatsvinden; uitsluitend de op deze wijze geselecteerde groepen werknemers krijgen het aanbod om vooruitlopend op de komende reductie hun arbeidsovereenkomst te beëindigen op basis van een vrijwillige vertrekregeling; deze vrijwillige vertrekregeling is in overeenstemming met de CAO SR en de frictiekosten mogen de aldaar genoemde bedragen niet overschrijden; en waarna de functies die vacant zijn gekomen vervallen.

Rechtspraak bij dit artikel