De zogenoemde ‘hybridemismatchmaatregelen’ in afdeling 2.2A van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 beogen belastingontwijking door gebruik te maken van hybridemismatches tussen zowel de EU-lidstaten onderling als tussen de EU-lidstaten en derde staten te bestrijden. Hybridemismatches zijn situaties waarin een belastingvoordeel wordt behaald door gebruik te maken van de verschillen tussen vennootschapsbelastingstelsels; meer in het bijzonder door gebruik te maken van verschillen in de fiscale behandeling (kwalificatie) van lichamen, instrumenten of vaste inrichtingen. Hybridemismatches kunnen ertoe leiden dat:
een vergoeding of betaling aftrekbaar is, maar de corresponderende opbrengst nergens wordt belast (aftrek zonder betrekking in de heffing), of
dat één en dezelfde vergoeding, betaling, last of verlies meerdere malen aftrekbaar is (dubbele aftrek).
De hybridemismatchmaatregelen hebben tot gevolg dat vergoedingen, betalingen, lasten of verliezen bij het bepalen van de winst onder omstandigheden van aftrek worden uitgesloten of tot de winst worden gerekend. In dit beleidsbesluit zijn beleidsstandpunten opgenomen over de hybridemismatchmaatregelen.
De Coördinatiegroep Taxhavens en Concernfinanciering is verantwoordelijk voor de eenheid van beleid en uitvoering bij de toepassing van afdeling 2.2A van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Gevallen waarin een standpuntbepaling precedentwerking zou kunnen hebben, legt de inspecteur daarom voor aan de Coördinatiegroep Taxhavens en Concernfinanciering (Instelbesluit CTC 2024).
Dit besluit vervangt het Besluit Hybridemismatches. De wijzigingen zijn:
2.3 GILTI- en NCTI-regime; geen betrekking in de heffing en geen dubbele aftrek – nieuw
2.4 Bedrijfsmiddelen, inventaris of voorraadgoederen – nieuw
4.1 Buiten beschouwing blijvende vaste inrichting; (geen) vi volgens nationale heffingswet – nieuw
4.2 Stakingsverlies vaste inrichting; geen dubbele aftrek – nieuw
4.3 Dubbel in aanmerking genomen inkomen – nieuwe voorbeelden
In dit onderdeel zijn twee nieuwe voorbeelden opgenomen over zogenoemde cost-plussituaties. In lijn met doel en strekking van de tweede EU-richtlijn antibelastingontwijking (ATAD2)1Richtlijn (EU) 2017/952 van de Raad van 29 mei 2017 tot wijziging van Richtlijn (EU) 2016/1164 wat betreft hybridemismatches met derde landen (PbEU 2017, L 144/1). en ter voorkoming van dubbele belastingheffing, blijft de aftrekbeperking van ATAD2 in deze cost-plussituaties buiten toepassing. Voorafgaand aan de opname van deze voorbeelden is over deze cost-plussituaties op hoofdlijnen contact gezocht met de Europese Commissie. Dit contact heeft ertoe geleid dat in bepaalde cost-plussituaties ruimte aanwezig wordt geacht om onder specifieke omstandigheden te concluderen dat sprake is van dubbel in aanmerking genomen inkomen.
4.3 Dubbel in aanmerking genomen inkomen – vervallen afwijkende regeling
Tot slot was in dit onderdeel een afwijkende regeling opgenomen als bedoeld in paragraaf 23, onderdeel 12, Besluit Fiscaal Bestuursrecht. Deze afwijkende regeling is geschrapt omdat het belang daarvan is komen te vervallen.
Voor het overige is geen inhoudelijke wijziging beoogd. Wel zijn redactionele wijzigingen aangebracht.
In dit besluit wordt voor de onderdelen zoveel als mogelijk de volgorde van de artikelen van afdeling 2.2A van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 aangehouden.
Wet Vpb 1969
Wet op de vennootschapsbelasting 1969
Artikel 1
Inleiding
Onderdeel van Beleidsbesluit hybridemismatches 2026· Belastingrecht
Deze tekst geldt sinds 25 juli 2026