In deze beleidsregel wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder:
basisbudget:
Wlz-kader, stand kader 2026, zoals opgenomen in de Voorlopige kaderbrief Wlz 2027van 1 juli 2026 (kenmerk 4393772-1099483-LZ). De structurele overhevelingen die tot 1 oktober 2026 worden gedaan, worden hierin meegenomen. Incidentele overhevelingen worden niet meegenomen in het basisbudget.
bruteringseffect:
het effect dat ontstaat wanneer middelen worden overgeheveld van zin naar pgb en andersom, of van overige uitvoeringskosten naar pgb. Hierbij wordt rekening gehouden met een gemiddelde onderuitputting van het pgb-subsidieplafond van 14%. Bij overhevelingen binnen het pgb-subsidieplafond, binnen de contracteerruimte, binnen de overige uitvoeringskosten of van overige uitvoeringskosten naar zin is deze brutering niet van toepassing.
budgettair kader Wlz:
het totale financiële kader dat de Minister van VWS bij ministeriële regeling vaststelt op grond van artikel 49e, eerste lid, van de Wmg. Het kader heeft betrekking op zin als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wlz, de verstrekking van pgb zoals bedoeld in dat artikel en op de overige uitvoeringskosten, en is beschikbaar is voor Wlz-uitvoerders/zorgkantoren.
contracteerruimte:
het totale financiële kader dat de Minister van VWS bij ministeriële regeling vaststelt op grond van artikel 49e, derde lid, onderdeel a van de Wmg, en beschikbaar is voor de Wlz-uitvoerders om zin te contracteren bij zorgaanbieders. Dit kader bestaat uit niet-geoormerkte middelen (artikel 4) en geoormerkte middelen (artikel 8).
gehonoreerde productieafspraak:
De productieafspraak (i) verminderd met de door de NZa verwerkte financiële korting(en) die per zorgaanbieder is/zijn doorgevoerd als gevolg van overschrijding van reguliere en/of geoormerkte contracteerruimte en (ii) aangepast in verband met de verdere toetsing van de productieafspraak aan de beleidsregels en regelingen van de NZa.
maximaal beschikbare bedrag persoonsgebonden budgetten:
het totale financiële kader dat beschikbaar is voor zorgkantoren voor de verlening van persoonsgebonden budgetten.
netto kader:
inancieel beschikbare kader, waarbij gecorrigeerd is voor de bruteringseffecten. De middelen die beschikbaar zijn voor pgb zijn vermenigvuldigd met 86% en worden opgeteld bij de middelen voor zin om tot een netto kader te komen.
overige uitvoeringskosten:
het beschikbare financiële kader dat de Minister van VWS bij ministeriële regeling vaststelt op grond van artikel 49e, derde lid, onderdeel c van de Wmg, waarmee zorgkantoren de inkoop kunnen bekostigen van cliëntondersteuning en van preventieve maatregelen zoals beschreven in artikel 4.2.4, vijfde respectievelijk zesde lid van de Wlz, alsook de inkoop van cliëntondersteuning en de cliëntenvertrouwenspersoon, zoals opgenomen in artikel 4.2.1, tweede lid, onderdeel c respectievelijk d, van de Wlz.
persoonsgebonden budget:
een subsidie van een zorgkantoor waarmee de verzekerde onder de bij of krachtens artikel 3.3.3 van de Wlz en titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht gestelde voorwaarden aan hem te verlenen zorg kan inkopen.
productieafspraak:
het totaalbedrag van de afspraken met betrekking tot de prestaties en tarieven ten laste van de contracteerruimte die door de zorgaanbieder en het zorgkantoor/de Wlz-uitvoerder zijn overeengekomen in de budgetronde of herschikkingsronde.
regiobudget:
budget dat een zorgkantoor toegewezen krijgt om in de betreffende regio de zorg in te kopen, pgb’s toe te kennen en de overige uitvoeringskosten te bekostigen.
tweezijdige aanvragen; eenzijdige aanvragen:
waar in deze beleidsregel wordt gesproken van een tweezijdige aanvraag, bedoelt de NZa dat:
zorgaanbieder en zorgkantoor/Wlz-uitvoerder gezamenlijk eensluidend indienen; zorgaanbieder en zorgkantoor/Wlz-uitvoerder hebben overeenstemming;
zorgaanbieder en zorgkantoor/Wlz-uitvoerder ieder afzonderlijk indienen en de indieningen eensluidend zijn; zorgaanbieder en zorgkantoor/Wlz-uitvoerder hebben overeenstemming.
Indieningen anders dan tweezijdig beschouwt de NZa als eenzijdig.
verdeelmodel Wlz1In de technische bijlage bij de beleidsregel worden het verdeelmodel Wlz en het flankerend beleid in detail beschreven.:
verdeelsleutel waarbij de gemiddelde uitstaande indicaties met peilmoment 1 mei t-2, 1 juni t-2, 1 juli t-2, 1 augustus t-2, 1 september t-2, 1 oktober t-2, 1 november t-2, 1 december t-2, 1 januari t-1, 1 februari t-1, 1 maart t-1, 1 april t-1 per zorgkantoorregio worden gewogen voor zorgzwaarte door de uitstaande indicaties te vermenigvuldigen met de waarde van de bijbehorende zorgprofielen. De waarde van de zorgprofielen wordt gebaseerd op de gerealiseerde productie van 2025 die naar prijspeil 2027 is gebracht. Tevens wordt rekening gehouden met de verzilvering van de uitstaande indicaties. De uitkomst van het verdeelmodel Wlz leidt tot een budgetaandeel (percentage) van die regio dat als verdeelsleutel wordt gebruikt voor de verdeling van het netto budgettair kader over de regio’s (zie artikel 5).
flankerend beleid2In de technische bijlage bij de beleidsregel worden het verdeelmodel Wlz en het flankerend beleid in detail beschreven.:
regeling waarbij negatieve modeleffecten gemaximeerd worden op 0,5% per jaar.
Allereerst wordt vastgesteld of het toepassen van flankerend beleid noodzakelijk is. Hiertoe wordt middels een parallelle doorrekening de uitkomst van het verdeelmodel in jaar t met alle modelaanpassingen vergeleken met de uitkomst van het verdeelmodel in jaar t zonder modelaanpassingen. Als de daling in absoluut bedrag voor een zorgkantoorhouder groter dan 0,5% is, dan is er noodzaak voor het toepassen van flankerend beleid.
Als flankerend beleid op basis van modelaanpassingen noodzakelijk is, compenseert het model zorgkantoorhouders met een negatief effect lager dan –0,5% door evenredig budget te minderen bij de andere zorgkantoorhouders. De bijdrage aan het flankerend beleid wordt bepaald o.b.v. de delta tussen de grenswaarde voor flankerend beleid en de uitkomst van het verdeelmodel in jaar t met alle modelaanpassingen.
Wlz-uitvoerdersbudget:
som van de regiobudgetten van de regio’s waarvoor een Wlz-uitvoerder op grond van het Besluit aanwijzing zorgkantoren is aangewezen als zorgkantoor.
Wlz-uitvoerder:
de rechtspersoon die geen zorgverzekeraar is en die zich overeenkomstig artikel 4.1.1 van de Wlz heeft aangemeld voor de uitvoering van die wet, daaronder begrepen de met toepassing van artikel 4.2.4, tweede lid, van de Wlz door de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport aangewezen Wlz-uitvoerder.
zin:
zorg in natura is de door een zorgkantoor gecontracteerde zorg ten behoeve van Wlz-cliënten.
zorgaanbieder zonder initiële budgetafspraken:
een nieuwe zorgaanbieder die na 15 november 2026 een overeenkomst sluit met een zorgkantoor en zorg wil leveren in 2027.
zorgkantoor:
een ingevolge artikel 4.2.4, tweede lid, van de Wlz voor een bepaalde regio aangewezen Wlz-uitvoerder. Het zorgkantoor is voor alle verzekerden die wonen in de regio waarvoor hij is aangewezen, belast met de verstrekking van het pgb, alsmede met de administratie of controle van de aan die verzekerden verleende zorg.
zorgkantoorhouder:
Wlz-uitvoerder die voor één of meer regio’s is aangewezen als zorgkantoor.
Voor overige begrippen die in deze beleidsregel voorkomen en die niet hierboven worden vermeld, wordt verwezen naar de Beleidsregel definities Wlz.
Artikel 1
Begripsbepalingen
Onderdeel van Beleidsregel budgettair kader Wlz 2027· Gezondheidsrecht en farmaceutisch recht
Deze tekst geldt sinds 4 augustus 2026