Naar hoofdinhoud

§ 3 › § 3.4 › § 3.4.5

Artikel 63

Artikel 63

Onderdeel van Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie en klimaattransitie 2026· Ondernemingspraktijk

Deze tekst geldt sinds 4 augustus 2026

1. De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van koolstofdioxide-arme warmte geproduceerd door een productie-installatie waarmee elektriciteit in warmte wordt omgezet, met een nominaal thermisch vermogen van ten minste 2 MWth, waarbij de vrijkomende warmte direct of indirect wordt overgedragen aan vloeistof of lucht voor: toepassing in stadsverwarming; een industriële toepassing, niet zijnde tuinbouw; toepassing in stadsverwarming en de aanvraag betrekking heeft op een situatie als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel b, van het Besluit SDEK; een industriële toepassing, niet zijnde tuinbouw en de aanvraag betrekking heeft op een situatie als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel b, van het Besluit SDEK; of voor gebruik op locatie voor een industriële toepassing, niet zijnde tuinbouw, waarbij sprake is van de uitgestelde levering van warmte door de toepassing van thermische opslag. 2. De feitelijke productie van de productie-installatie, bedoeld in het eerste lid, bedraagt ten hoogste 4.800 vollasturen per jaar. 3. De door de productie-installatie, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en c, geproduceerde warmte heeft een aanvoertemperatuur in het stookseizoen van ten minste 100°C. 4. De door de productie-installatie, bedoeld in het eerste lid, onderdelen b, d en e, geproduceerde warmte wordt toegepast in een verwarmingssysteem met een aanvoertemperatuur aan de gebruikerszijde van ten minste 100°C of in een stoomsysteem. 5. Het vermogen van de aansluiting op het elektriciteitsnet is ten minste even groot als het gezamenlijke vermogen van de op de locatie aanwezige elektroboilers. 6. Het nominaal elektrisch vermogen van de productie-installatie, bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, bedraagt minstens één keer het nominaal thermisch vermogen van de productie-installatie, waarbij de opslagcapaciteit ten minste 4 MWh per MW thermisch vermogen van de productie-installatie moet bedragen. 7. Het nominaal thermisch vermogen van de productie-installatie, bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, bedraagt ten hoogste 50 MWth.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel