**1.** Aan de Inspecteur-Generaal van de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur wordt mandaat, onderscheidenlijk machtiging, verleend, voor zover het entiteiten betreft in de sector overheid, bedoeld in bijlage 1 bij de Wet, met uitzondering van de waterschappen, om namens de Staatssecretaris:
te besluiten tot het toepassen van het handhavingsinstrumentarium uit paragraaf 15.2 en 15.5 van de Wet en alle daarmee samenhangende bevoegdheden;
een besluit te nemen op een bezwaarschrift gericht tegen een besluit als bedoeld in onderdeel a;
verweer te voeren ingeval beroep of hoger beroep is ingesteld ter zake van een besluit op bezwaar als bedoeld in onderdeel b;
verweer te voeren ingeval een voorlopige voorziening is gevraagd in het kader van een bezwaar, beroep of hoger beroep ter zake van een besluit als bedoeld in onderdeel a of b;
hoger beroep in te stellen tegen een uitspraak van een rechtbank over een besluit als bedoeld in onderdeel b;
beleidsregels vast te stellen ten aanzien van de toepassing van het handhavingsinstrumentarium uit paragraaf 15.2 en 15.5 van de Wet en alle daarmee samenhangende bevoegdheden;
alle handelingen te verrichten die direct samenhangen met de uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld in de onderdelen a tot en met f.
**2.** De Inspecteur-Generaal is bevoegd tot het verlenen van ondermandaat, onderscheidenlijk ondermachtiging, aan onder hem ressorterende functionarissen, behoudens voor wat betreft het vaststellen van beleidsregels als bedoeld in het eerste lid, onderdeel f.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Cyberbeveiligingswet
in werking treedt.
Artikel 3
Artikel 3
Onderdeel van Besluit aanwijzing toezichthouders en verlening mandaat en machtiging Cyberbeveiligingswet sector overheid· Informatierecht
Deze tekst geldt sinds 15 augustus 2026