De Verdragsluitende Staten zullen de vluchtelingen op hun grondgebied ten minste even gunstig behandelen als hun onderdanen, wat betreft de vrijheid tot uitoefening van hun godsdienst en de vrijheid ten aanzien van de godsdienstige opvoeding van hun kinderen.
HOOFDSTUK I
Artikel 4
Godsdienst
Onderdeel van Verdrag betreffende de status van vluchtelingen· Internationaal publiekrecht
Deze tekst geldt sinds 1 augustus 1956