De Verdragsluitende Staten zullen de staatlozen op hun grondgebied ten minste even gunstig behandelen als hun onderdanen, wat betreft de vrijheid tot uitoefening van hun godsdienst en de vrijheid ten aanzien van de godsdienstige opvoeding van hun kinderen.
HOOFDSTUK I
Artikel 4
Godsdienst
Onderdeel van Verdrag betreffende de status van staatlozen· Internationaal publiekrecht
Deze tekst geldt sinds 11 juli 1962