Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK II › Paragraaf § 6

Artikel 38

Artikel 38

Onderdeel van Verdrag aangaande de uitlevering en de rechtshulp in strafzaken tussen het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden· Strafrecht

Deze tekst geldt sinds 11 december 1967

1. Voor zover in dit hoofdstuk niet anders wordt bepaald kunnen de rogatoire commissies en andere verzoeken om rechtshulp door de rechterlijke autoriteiten van de verzoekende Partij rechtstreeks worden gericht tot de rechterlijke autoriteiten van de aangezochte Partij. Zij zullen, vergezeld van de documenten die op hun uitvoering betrekking hebben, hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenkomst van de Ministers van Justitie worden teruggezonden. 2. De verzoeken bedoeld in artikel 36, lid 1, kunnen door de rechterlijke autoriteiten rechtstreeks worden gericht tot de betrokken dienst van de aangezochte Partij en de antwoorden kunnen door die dienst rechtstreeks, worden teruggezonden. De verzoeken bedoeld in artikel 36, tweede lid, zullen door de Minister van Justitie van de verzoekende Partij tot de Minister van Justitie van de aangezochte Partij worden gericht. 3. De verzoeken bedoeld in artikel 33 zullen door de Ministers van Justitie tot elkaar worden gericht. 4. In de gevallen, waarin het onderhavige hoofdstuk rechtstreekse toezending toestaat kan deze geschieden via het centrale nationale bureau van de Internationale Politie Organisatie (Interpol).

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel