**1.** Indien de verzoekende Partij de verschijning in persoon, hetzij als getuige, hetzij tot confrontatie, verzoekt van een persoon die van zijn vrijheid is beroofd, wordt de betrokkene tijdelijk overgebracht naar het grondgebied waar het verhoor plaats moet vinden, op voorwaarde dat hij binnen de door de aangezochte Partij vastgestelde termijn wordt teruggezonden en onder voorbehoud van het bepaalde in artikel 12, voor zover dit toepassing kan vinden.
De overbrenging kan worden geweigerd:
indien de gedetineerde er niet in toestemt;
indien zijn aanwezigheid vereist wordt in een strafrechtelijke procedure op het grondgebied van de aangezochte Partij;
indien zijn overbrenging de duur van zijn detentie zou kunnen verlengen of
indien andere dwingende overwegingen zich tegen zijn overbrenging naar het grondgebied van de verzoekende Partij verzetten.
**2.** In het geval bedoeld in het vorige lid wordt, onverminderd het in artikel 2 bepaalde, de doortocht van een gedetineerde door het grondgebied van een derde Staat die Partij is bij dit Verdrag, toegestaan. Het daartoe strekkende verzoek van het Ministerie van Justitie van de verzoekende Partij aan het Ministerie van Justitie van de derde Staat dient te zijn vergezeld van de daarvoor van belang zijnde stukken.
Iedere Verdragsluitende Partij kan weigeren doortocht van zijn onderdanen toe te staan.
**3.** De overgebrachte persoon blijft op het grondgebied van de verzoekende Partij en, in voorkomende gevallen, op het grondgebied van de Partij aan wie toestemming tot doortocht is verzocht, in hechtenis, tenzij de Partij die de overbrenging van de gedetineerde toestaat, zijn invrijheidstelling verzoekt.
TITEL III
Artikel 11
Artikel 11
Onderdeel van Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken· Strafrecht
Deze tekst geldt sinds 15 mei 1969