Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK II › AFDELING 1 › Paragraaf (b)

Artikel 9

Artikel 9

Onderdeel van Europees Verdrag inzake de internationale geldigheid van strafvonnissen· Strafrecht

Deze tekst geldt sinds 1 januari 1988

1. De veroordeelde die zich in de verzoekende Staat in hechtenis bevond en die is overgeleverd aan de aangezochte Staat met het oog op tenuitvoerlegging, wordt niet vervolgd, berecht of in hechtenis gehouden met het oog op tenuitvoerlegging van een straf of een maatregel, noch onderworpen aan enige andere beperking van zijn persoonlijke vrijheid, wegens enig vóór de overlevering begaan feit dat niet ten grondslag lag aan de ten uitvoer te leggen veroordeling, behalve in de volgende gevallen: wanneer de Staat die hem heeft overgeleverd daarin toestemt. Daartoe dient een verzoek te worden ingediend, vergezeld van alle ter zake dienende stukken en van een rechterlijk proces-verbaal waarin alle verklaringen van de veroordeelde zijn opgenomen. De toestemming wordt gegeven indien het strafbare feit, waarvoor zij is gevraagd, grondslag voor uitlevering had kunnen zijn volgens de wet van de Staat die de tenuitvoerlegging heeft gevraagd, of indien de uitlevering slechts zou zijn uitgesloten vanwege de strafmaat; wanneer de veroordeelde, hoewel hij daartoe de mogelijkheidhad, niet binnen de 45 dagen die op zijn definitieve invrijheidstelling volgden het grondgebied van de Staat, waaraan hij was overgeleverd heeft verlaten, of indien hij na dit gebied te hebben verlaten, daarin is teruggekeerd. 2. De Staat aan welke om tenuitvoerlegging is verzocht kan echter de maatregelen treffen, die nodig zijn met het oog op een eventuele verwijdering van zijn grondgebied, dan wel een stuiting van de verjaring overeenkomstig zijn wetgeving, met inbegrip van de instelling van een verstekprocedure.

Rechtspraak bij dit artikel