Naar hoofdinhoud
1. In spoedgevallen kan de gezochte persoon, in overeenstemming met de wetgeving van de aangezochte Partij, op verzoek van de bevoegde autoriteiten van de verzoekende Partij voorlopig worden aangehouden. 2. Het verzoek dient te omvatten een beschrijving van de gezochte persoon, een kennisgeving van het voornemen om diens overlevering te verzoeken, een uiteenzetting van het bestaan en de strekking van een bevel tot aanhouding of een tegen de betrokkene uitgesproken veroordelend vonnis, een uiteenzetting van de maximumstraf die voor het strafbare feit kan worden opgelegd of van de straf die daarvoor is opgelegd, alsmede een uiteenzetting van het handelen of nalaten (waaronder tijdstip en plaats) dat het vermeende strafbare feit oplevert. 3. Het verzoek om voorlopige aanhouding dient schriftelijk te worden gedaan en kan langs dezelfde kanalen worden toegezonden als een verzoek om overlevering, dan wel via de Internationale Politie-Organisatie (Interpol). 4. De voorlopige aanhouding van de gezochte persoon eindigt na het verstrijken van zestig dagen na de datum van diens aanhouding, indien het verzoek om diens overlevering, gestaafd met de in artikel 8, tweede tot en met vierde lid, bedoelde stukken, niet is ontvangen. Deze bepaling belet niet dat hij opnieuw wordt aangehouden of overgeleverd indien het verzoek om zijn overlevering later wordt ontvangen. Opgeschort per 21 oktober 2020 (Trb. 2020/113).

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel