**1.** De luchtvaartautoriteiten van elke Overeenkomstsluitende Partij hebben het recht de in artikel 3 bedoelde vergunningen niet te verlenen aan een luchtvaartmaatschappij aangewezen door de andere Overeenkomstsluitende Partij, deze vergunningen in te trekken of op te schorten of daaraan voorwaarden te verbinden:
indien een zodanige luchtvaartmaatschappij nalaat ten genoegen van de luchtvaartautoriteiten van die Overeenkomstsluitende Partij aan te tonen dat zij voldoet aan de door die autoriteiten gewoonlijk en redelijkerwijze in overeenstemming met het Verdrag toegepaste wetten en voorschriften;
indien een zodanige luchtvaartmaatschappij nalaat de wetten en voorschriften van die Overeenkomstsluitende Partij na te leven;
indien niet te hunnen genoegen is aangetoond dat een aanmerkelijk deel van de eigendom van, en het daadwerkelijk toezicht op de luchtvaartmaatschappij berusten bij de Overeenkomstsluitende Partij die de luchtvaartmaatschappij heeft aangewezen of bij haar onderdanen; en
ingeval de luchtvaartmaatschappij anderszins nalaat de exploitatie uit te oefenen in overeenstemming met de ingevolge deze Overeenkomst gestelde voorwaarden.
**2.** De in het eerste lid genoemde rechten worden slechts uitgeoefend na overleg met de luchtvaartautoriteiten van de andere Overeenkomstsluitende Partij, tenzij onmiddellijk optreden noodzakelijk is teneinde verdere inbreuk op bovengenoemde wetten en voorschriften te voorkomen. Tenzij door de Overeenkomstsluitende Partijen anders is overeengekomen, vangt dit overleg aan binnen een tijdvak van zestig (60) dagen na de datum van ontvangst van het verzoek.
Artikel 4
Intrekking of opschorting van de exploitatievergunning
Onderdeel van Overeenkomst inzake luchtdiensten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Venezuela· Vervoersrecht
Deze tekst geldt sinds 1 april 1994