Naar hoofdinhoud

Artikel 13

Erkenning van bewijzen en vergunningen

Onderdeel van Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Oekraïne inzake luchtvaartdiensten· Arbitrage

Deze tekst geldt sinds 1 augustus 1994

Bewijzen van luchtwaardigheid, bewijzen van bevoegdheid en vergunningen die door een van de Overeenkomstsluitende Partijen zijn uitgereikt of geldig verklaard en die nog niet zijn verlopen, worden door de andere Overeenkomstsluitende Partij als geldig erkend voor de exploitatie van de overeengekomen diensten op de omschreven routes, mits deze bewijzen en vergunningen werden uitgereikt of geldig verklaard overeenkomstig de op grond van het Verdrag vastgestelde normen. Elke Overeenkomstsluitende Partij behoudt zich evenwel het recht voor om voor vluchten boven haar grondgebied de erkenning te weigeren van bewijzen van bevoegdheid en vergunningen die aan haar eigen onderdanen zijn verstrekt door de andere Overeenkomstsluitende Partij. Ingevolge artikel 1, tweede lid, van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en Oekraïne inzake bepaalde aspecten van luchtdiensten van 1 december 2005 (Pb. EU L 211 van 1 augustus 2006, blz. 24-38) wordt vanaf 13 oktober 2006, wanneer in de tekst van de bilaterale Overeenkomst wordt verwezen naar onderdanen van het Koninkrijk der Nederlanden, dit begrepen als een verwijzing naar onderdanen van de lidstaten van de Europese Unie (Trb. 2012/223). De bepalingen van artikel 4, tweede lid, van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en Oekraïne inzake bepaalde aspecten van luchtdiensten van 1 december 2005 (Pb. EU L 211 van 1 augustus 2006, blz. 24-38) vormen vanaf 13 oktober 2006 een aanvulling op de overeenkomstige bepalingen van dit artikel (Trb. 2012/223).

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel