Naar hoofdinhoud

Artikel 13

Opschorting en opzegging

Onderdeel van Raamverdrag inzake vriendschap en nauwere samenwerking tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname· Internationaal publiekrecht

Deze tekst geldt sinds 1 mei 1995

1. Indien de Regering van één van beide Staten van oordeel is dat in de andere Staat sprake is van fundamentele schending van de constitutionele beginselen van de democratie en de rechtsstaat of van één of meer van de in artikel 4 lid 2 van het Internationaal Verdrag van 19 december 1966 inzake burgerrechten en politieke rechten bedoelde fundamentele mensenrechten, kan die Regering verklaren dat zij het Raamverdrag met onmiddellijke ingang opschort. Indien over de opschorting tussen beide Staten een geschil ontstaat, is, tenzij de Regeringen van beide Staten anderszins overeenkomen, uitsluitend het Internationaal Gerechtshof bevoegd daarvan kennis te nemen. De uitspraak van het Hof is voor beide Staten definitief en bindend. 2. Dit Raamverdrag kan op ieder ogenblik door de Regering van één van beide Staten schriftelijk worden opgezegd. De opzegging wordt van kracht op de eerste dag van de dertiende maand na ontvangst van de opzegging door de Regering van de andere Staat. Met inachtneming van het gestelde in het vierde lid van dit artikel wordt de werking van het Raamverdrag vanaf die dag beëindigd. 3. Opschorting of opzegging van dit Raamverdrag impliceert niet de opschorting of opzegging van andere tussen beide Staten bestaande overeenkomsten. Deze zullen in voorkomende gevallen elk afzonderlijk moeten worden opgeschort of opgezegd. 4. In geval van opschorting of opzegging blijven de artikelen 10 en 11 van dit Raamverdrag van kracht voor zolang nodig is voor de afwikkeling van de lopende zaken en geschillen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel