Naar hoofdinhoud

Artikel 3

Aanwijzing van de luchtvaartmaatschappij en verlening van vergunningen

Onderdeel van Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Volksrepubliek China inzake de burgerluchtvaart· Belastingrecht

Deze tekst geldt sinds 1 mei 2001

1. Elke Partij heeft het recht schriftelijk aan de andere Verdragsluitende Partij twee (2) luchtvaartmaatschappijen aan te wijzen voor de exploitatie van de overeengekomen diensten op de omschreven routes, en deze aanwijzingen in te trekken of te wijzigen. Slechts één luchtvaartmaatschappij mag door elke zijde worden aangewezen voor de exploitatie van elke van de twee routes beschreven in de bijlage bij dit Verdrag. De voor Route II aangewezen luchtvaartmaatschappij mag slechts vrachtdiensten uitvoeren. 2. Een aanmerkelijk deel van de eigendom van en het feitelijke toezicht op de luchtvaartmaatschappij die door elke Verdragsluitende Partij is respectievelijk zijn aangewezen, blijft berusten bij die Verdragsluitende Partij of haar onderdanen. 3. De luchtvaartautoriteiten van de andere Verdragsluitende Partij kunnen van een door de eerstbedoelde Verdragsluitende Partij aangewezen luchtvaartmaatschappij of luchtvaartmaatschappijen verlangen dat te hunnen genoegen wordt aangetoond dat zij in staat is respectievelijke zijn te voldoen aan de voorwaarden en verplichtingen die zijn voorgeschreven krachtens de wetten en voorschriften die door hen gewoonlijk en redelijkerwijs worden toegepast bij de exploitatie van internationale luchtdiensten door de betreffende luchtvaartautoriteiten. 4. Na ontvangst van deze aanwijzing verleent de andere Verdragsluitende Partij, met inachtneming van de bepalingen van het tweede en derde lid van dit artikel, aan een aldus aangewezen luchtvaartmaatschappij onverwijld de nodige exploitatievergunning. 5. Na ontvangst van de in het vierde lid van dit artikel bedoelde exploitatievergunning kan de aangewezen luchtvaartmaatschappij op de overeengekomen datum een aanvang maken met de gehele of gedeeltelijke exploitatie van de overeengekomen diensten, mits zij aan de bepalingen van dit Verdrag voldoet en de tarieven voor deze diensten zijn vastgesteld in overeenstemming met de bepalingen van artikel 8 van dit Verdrag. Ingevolge artikel 1, tweede lid, van de Overeenkomst van 20 mei 2019 zal, wanneer in de Engelse tekst van het bilaterale Verdrag, met Bijlage, wordt verwezen naar „nationals” van het Koninkrijk der Nederlanden, dit worden begrepen als een verwijzing naar „nationals” van de lidstaten van de Europese Unie (Trb. 2021/58). Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Overeenkomst van 20 mei 2019 hebben de bepalingen van artikel 2, tweede en derde lid, van deze Overeenkomst voorrang op de overeenkomstige bepalingen dit artikel (Trb. 2021/58).

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel