**1.** De bepalingen van de artikelen 1, 3 en 4 van dit Protocol zijn van toepassing op de Griffier van het Hof en op een Plaatsvervangend Griffier wanneer deze als Griffier fungeert en de Staten die Partij zijn bij het Verdrag hiervan officieel in kennis zijn gesteld.
**2.** De bepalingen van artikel 3 van dit Protocol en van artikel 18 van het Algemeen Verdrag zijn van toepassing op een Plaatsvervangend Griffier van het Hof.
**3.** De in het eerste en tweede lid van dit artikel bedoelde voorrechten en immuniteiten worden de Griffier en Plaatsvervangend Griffier niet tot persoonlijk voordeel van henzelf verleend, maar om de uitoefening van hun functie te vergemakkelijken. Uitsluitend het Hof in voltallige vergadering bijeen is bevoegd de immuniteit van zijn Griffier en een Plaatsvervangend Griffier op te heffen; het heeft niet alleen het recht, maar ook de plicht deze immuniteit op te heffen telkens wanneer de immuniteit naar zijn oordeel de loop van het recht in de weg zou staan en afstand van de immuniteit kan worden gedaan zonder dat inbreuk wordt gemaakt op het doel waarvoor de immuniteit wordt verleend.
**4.** De Secretaris-Generaal van de Raad van Europa is bevoegd, met toestemming van de President van het Hof, de immuniteit van andere personeelsleden van de griffie op te heffen, in overeenstemming met artikel 19 van het Algemeen Verdrag en met zorgvuldige inachtneming van de in het derde lid uiteengezette overwegingen.
Artikel 5
Artikel 5
Onderdeel van Zesde Aanvullend Protocol bij het Algemeen Verdrag nopens de voorrechten en immuniteiten van de Raad van Europa· Internationaal publiekrecht
Deze tekst geldt sinds 1 november 1998