Naar hoofdinhoud
De douaneautoriteiten van de ene Verdragsluitende Partij houden, uit eigen beweging of op verzoek van de douaneautoriteiten van de andere Verdragsluitende Partij, binnen de grenzen van hun bevoegdheden en in de mate van het mogelijke, toezicht op: het verkeer, in het bijzonder het betreden en verlaten van hun grondgebied, van personen die strafbare feiten op het gebied van de douanewetten van de andere Verdragsluitende Partij hebben begaan of van wie wordt vermoed dat zij dergelijke strafbare feiten hebben begaan; voertuigen, schepen, luchtvaartuigen en andere vervoermiddelen die zijn gebruikt of waarvan wordt vermoed dat ze zijn gebruikt voor het begaan van strafbare feiten op het gebied van de douanewetten van de andere Verdragsluitende Partij, of waarvan wordt vermoed dat ze worden gebruikt voor het begaan van dergelijke strafbare feiten; de verplaatsingen van goederen ten aanzien waarvan door de douaneautoriteiten van de andere Verdragsluitende Partij is gemeld dat het een omvangrijk ongeoorloofd verkeer naar hun grondgebied betreft; plaatsen waar ongebruikelijke goederenvoorraden zijn aangelegd, die aanleiding geven tot de veronderstelling dat deze zullen worden gebruikt voor ongeoorloofde invoer in het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij.

Rechtspraak bij dit artikel