Indien een inwoner van een Verdragsluitende Staat een vaste inrichting heeft in de andere Verdragsluitende Staat, mag de belasting van de laatstgenoemde Verdragsluitende Staat over de voordelen van die vaste inrichting, ongeacht of deze wordt geheven van de vaste inrichting als zodanig, van de voornoemde inwoner of van beide, niet de belasting overschrijden die verschuldigd is krachtens de wetgeving van die andere Staat ter zake van voordelen van een lichaam dat inwoner is van die andere Verdragsluitende Staat en daarnaast een belasting op die voordelen, vastgesteld na aftrek van de eerdergenoemde belasting over de voordelen. In dat geval, en in het geval dat de aanvullende belasting alleen van toepassing is op het deel van de voordelen dat naar het buitenland is overgemaakt, mag het tarief niet het tarief overschrijden dat is neergelegd in artikel 10, tweede lid, onderdeel a.
Hoofdstuk III
Artikel 11
Belastingheffing van vaste inrichtingen
Onderdeel van Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Argentinië tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen· Belastingrecht
Deze tekst geldt sinds 11 februari 1998