Naar hoofdinhoud

Titel VI

Artikel 41

Voorrechten en immuniteiten

Onderdeel van Overeenkomst op grond van Artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie tot oprichting van een Europese Politiedienst (Europol-Overeenkomst)· Internationaal publiekrecht

Deze tekst geldt sinds 1 oktober 1998

1. Voor de uitvoering van hun opdracht genieten Europol, de leden van de organen, zijn adjunct-directeuren en zijn personeelsleden de noodzakelijke voorrechten en immuniteiten krachtens een protocol dat de regelingen bevat die in elk der Lid-Staten van kracht zijn. 2. Het Koninkrijk der Nederlanden en de andere Lid-Staten stellen op gelijke wijze de voorrechten en immuniteiten vast die nodig zijn voor een goede taakvervulling van de door de andere Lid-Staten afgevaardigde verbindingsofficieren, alsmede voor de leden van hun familie, in de Staat waar Europol gevestigd is. 3. Het in lid 1 bedoelde Protocol wordt door de Raad met eenparigheid van stemmen volgens de procedure van Titel VI van het Verdrag betreffende de Europese Unie vastgesteld en door de Lid-Staten overeenkomstig hun onderscheiden grondwettelijke bepalingen aangenomen.

Rechtspraak bij dit artikel